Poncho's, Panfluiten en Paardenstaarten
Op reis in Ecuador kun je niet om de markt van Otavalo heen. Maar ook als je daar
nog nooit geweest bent, ken je de indianen uit deze streek: als de ponchodragende
muziekgroepjes in winkelcentra.
Jeroen Windmeijer, antropoloog en op gezette tijden reisbegeleider bij Djoser, raakte zo geïntrigeerd door de Otavalos dat hij hun geschiedenis wilde schrijven. Onlangs verscheen van zijn hand het vlot leesbare: ‘Poncho’s, panfluiten, paardenstaarten’, een interessant boek voor iedereen die zich wil voorbereiden op zijn reis naar Ecuador of gewoon meer wil weten over de cultuur van de Otavalos.
De wereldberoemde markt van Otavalo in Ecuador behoort, met Chichicastenango in Guatemala en het Peruaanse Chinchero, tot de belangrijkste en grootste indianenmarkten van Latijns Amerika. Dat heeft veel te maken met de ondernemersgeest van de Otavalos.
Zij hebben een lange traditie als commerciële producenten van textiel en hun dal ligt op het kruispunt van oude handelsroutes noord-zuid en oost-west. Al in de pre-Incatijd kwamen indianen uit de Amazone hier hun kruiden, katoen, apen en vogels ruilen tegen geweven stoffen en zout. Zowel de textielproductie voor de ‘export’, als de handelsreizigers uit deze streek vormen sinds die tijd belangrijke factoren in de economische cultuur van de Otavalos.
Amsterdam: Klein Otavalo
In de jaren tachtig bereikte de populariteit van panfluitmuziek en lamawollen truien in West-Europa en Amerika een hoogtepunt. Dat bood nieuwe kansen op inkomsten voor textielverkopers en muzikanten uit de Andes. Toen Jeroen Windmeijer er achter kwam dat al die reizende poncho-orkesten afkomstig waren uit diezelfde Otavalovallei, besloot hij zijn promotieonderzoek aan deze indianen te wijden. “In 1992 verbleven in Europa naar schatting meer dan 5000 Otavalos, waarvan ongeveer een kwart in Nederland en alleen al in Amsterdam, ook wel het Otavalo van Europa genoemd, ongeveer 500. Ik wilde weten hoe dat kwam.” In de jaren 1996, ’97 en ’99 verbleef hij met tussenpozen in totaal veertien maanden in Otavalo en sprak honderden mensen, niet alleen india - nen, ook mestiezen, die lange tijd de baas speelden over de indianen. Nog steeds nemen de (blankere) mestiezen politiek en sociaal een dominante positie in, maar de indianen hebben een economische voorsprong genomen, en langzamerhand vertaalt zich dat ook in meer zeggenschap. De afgelopen jaren is het aandeel indiaanse stadsbewoners gegroeid van ongeveer eenvijfde naar de helft en Otavalo heeft nu ook een indiaanse burgemeester. Niet vreemd als je bedenkt dat de welvaart van Otavalo drijft op de wereldberoemde indianenmarkt. Steeds meer mestiezen verkopen hun huis aan indianen die hun komst naar de stad beschouwen als herovering, de reconquista, na de koloniale overheersing door de Spanjaarden. In het begin van de twintigste eeuw kreeg de weefindustrie in de vallei een nieuwe impuls: het traditionele heupweefgetouw maakte in toenemende mate plaats voor het staande weefgetouw uit Spanje. Een rijke heer uit Quito, onder de indruk van de weefkunst van José Cajas de Quinchuquí, kocht voor hem het eerste exemplaar en verstrekte Cajas opdrachten namens zijn vrienden uit de hoofdstad. Het succes van José Cajas werd al snel nagevolgd door collega’s in de regio, waarna de textielproductie- in-opdracht een grote vlucht nam.
Bloesjes voor Indonesië
Windmeijer verklaart de economische opkomst van de Otavalos voor een deel uit hun grote behoefte aan onafhankelijkheid. De emancipatie van de indianen heeft de afgelopen dertig jaar een grote vlucht genomen. Voorheen was het gebruikelijk dat de mestiezen de indianen als minderwaardig behandelden, als goedkope, of zelfs gratis arbeidskracht, maar ook schelden en vernederen was heel gebruikelijk. Het verlangen om te slagen wordt de indianen vooral ingegeven door de wetenschap dat je een rijk man niet kunt uitbuiten. De andere drijfveren zijn commercieel gevoel en doorzettingsvermogen: “Als ze op het Europese vasteland uitgekeken zijn op je truien en je muziek, dan ga je naar IJsland. En in Indonesië verkoop je natuurlijk geen wollen kleding maar bloesjes. Je ziet ook dat de oorspronkelijke felle kleuren zijn ingeruild voor meer gedekte kleuren. Onder invloed van vooral de Amerikaanse markt, daar denken ze dat deze ‘natuurlijke’ kleuren authentiek indiaans zijn. De oude technieken worden ook inventief gebruikt voor nieuwe producten, ze hebben bijvoorbeeld de tas van mijn laptop grondig bestudeerd om er een eigen versie van te produceren en ze maken ook tasjes voor mobiele telefoons. Maar ook steeds meer moderne kledingstukken van internationale snit, zoals spijkergoed.”
Hetzelfde commerciële instinct zie je terug in de dracht van de Otavalos. Wij kennen ze hier als dragers van kleurrijke poncho’s en lange paardenstaarten, maar eigenlijk zijn dat elementen die op de thuisbasis al bijna verdwenen waren. Toen deze uiterlijke kenmerken belangrijk bleken voor de identificatie in het buitenland, gingen de Otavalos ook thuis hun poncho weer als een kostuum beschouwen dat je aantrekt als je ergens heengaat. En meer en meer lieten jonge mannen weer hun haar groeien, terwijl ze dat in voorgaande decennia vaak afknipten.
De panfluitmuziek in de winkelstraten was ook lang niet altijd traditioneel: de muzikanten kwamen er al gauw achter dat ze de meeste cassettes verkochten wanneer ze het nummer El Condor Pasa speelden: bekend van het Amerikaanse duo Simon & Garfunkel.
‘Poncho’s, Panfluiten en Paardenstaarten, de indiaanse handelsreizigers en straatmuzikanten uit Otavalo, Ecuador’ van Jeroen Windmeijer, is een bewerking van zijn proefschrift uit 2001. Behalve de geschiedenis van de Otavalos, van de tijd voor de Inca’s tot nu, gaat de schrijver in op de Spaanse invloeden, het toerisme, de lokale handel en de export, politiek en religies. Het boek verschijnt bij uitgeverij Aksant, ISBN: 90-5260-141-0
Aan de informatie in deze artikelen en verhalen kunnen geen rechten ontleend worden.
Jeroen Windmeijer, antropoloog en op gezette tijden reisbegeleider bij Djoser, raakte zo geïntrigeerd door de Otavalos dat hij hun geschiedenis wilde schrijven. Onlangs verscheen van zijn hand het vlot leesbare: ‘Poncho’s, panfluiten, paardenstaarten’, een interessant boek voor iedereen die zich wil voorbereiden op zijn reis naar Ecuador of gewoon meer wil weten over de cultuur van de Otavalos.
De wereldberoemde markt van Otavalo in Ecuador behoort, met Chichicastenango in Guatemala en het Peruaanse Chinchero, tot de belangrijkste en grootste indianenmarkten van Latijns Amerika. Dat heeft veel te maken met de ondernemersgeest van de Otavalos.
Zij hebben een lange traditie als commerciële producenten van textiel en hun dal ligt op het kruispunt van oude handelsroutes noord-zuid en oost-west. Al in de pre-Incatijd kwamen indianen uit de Amazone hier hun kruiden, katoen, apen en vogels ruilen tegen geweven stoffen en zout. Zowel de textielproductie voor de ‘export’, als de handelsreizigers uit deze streek vormen sinds die tijd belangrijke factoren in de economische cultuur van de Otavalos.
In de jaren tachtig bereikte de populariteit van panfluitmuziek en lamawollen truien in West-Europa en Amerika een hoogtepunt. Dat bood nieuwe kansen op inkomsten voor textielverkopers en muzikanten uit de Andes. Toen Jeroen Windmeijer er achter kwam dat al die reizende poncho-orkesten afkomstig waren uit diezelfde Otavalovallei, besloot hij zijn promotieonderzoek aan deze indianen te wijden. “In 1992 verbleven in Europa naar schatting meer dan 5000 Otavalos, waarvan ongeveer een kwart in Nederland en alleen al in Amsterdam, ook wel het Otavalo van Europa genoemd, ongeveer 500. Ik wilde weten hoe dat kwam.” In de jaren 1996, ’97 en ’99 verbleef hij met tussenpozen in totaal veertien maanden in Otavalo en sprak honderden mensen, niet alleen india - nen, ook mestiezen, die lange tijd de baas speelden over de indianen. Nog steeds nemen de (blankere) mestiezen politiek en sociaal een dominante positie in, maar de indianen hebben een economische voorsprong genomen, en langzamerhand vertaalt zich dat ook in meer zeggenschap. De afgelopen jaren is het aandeel indiaanse stadsbewoners gegroeid van ongeveer eenvijfde naar de helft en Otavalo heeft nu ook een indiaanse burgemeester. Niet vreemd als je bedenkt dat de welvaart van Otavalo drijft op de wereldberoemde indianenmarkt. Steeds meer mestiezen verkopen hun huis aan indianen die hun komst naar de stad beschouwen als herovering, de reconquista, na de koloniale overheersing door de Spanjaarden. In het begin van de twintigste eeuw kreeg de weefindustrie in de vallei een nieuwe impuls: het traditionele heupweefgetouw maakte in toenemende mate plaats voor het staande weefgetouw uit Spanje. Een rijke heer uit Quito, onder de indruk van de weefkunst van José Cajas de Quinchuquí, kocht voor hem het eerste exemplaar en verstrekte Cajas opdrachten namens zijn vrienden uit de hoofdstad. Het succes van José Cajas werd al snel nagevolgd door collega’s in de regio, waarna de textielproductie- in-opdracht een grote vlucht nam.
Bloesjes voor Indonesië
Windmeijer verklaart de economische opkomst van de Otavalos voor een deel uit hun grote behoefte aan onafhankelijkheid. De emancipatie van de indianen heeft de afgelopen dertig jaar een grote vlucht genomen. Voorheen was het gebruikelijk dat de mestiezen de indianen als minderwaardig behandelden, als goedkope, of zelfs gratis arbeidskracht, maar ook schelden en vernederen was heel gebruikelijk. Het verlangen om te slagen wordt de indianen vooral ingegeven door de wetenschap dat je een rijk man niet kunt uitbuiten. De andere drijfveren zijn commercieel gevoel en doorzettingsvermogen: “Als ze op het Europese vasteland uitgekeken zijn op je truien en je muziek, dan ga je naar IJsland. En in Indonesië verkoop je natuurlijk geen wollen kleding maar bloesjes. Je ziet ook dat de oorspronkelijke felle kleuren zijn ingeruild voor meer gedekte kleuren. Onder invloed van vooral de Amerikaanse markt, daar denken ze dat deze ‘natuurlijke’ kleuren authentiek indiaans zijn. De oude technieken worden ook inventief gebruikt voor nieuwe producten, ze hebben bijvoorbeeld de tas van mijn laptop grondig bestudeerd om er een eigen versie van te produceren en ze maken ook tasjes voor mobiele telefoons. Maar ook steeds meer moderne kledingstukken van internationale snit, zoals spijkergoed.”
Hetzelfde commerciële instinct zie je terug in de dracht van de Otavalos. Wij kennen ze hier als dragers van kleurrijke poncho’s en lange paardenstaarten, maar eigenlijk zijn dat elementen die op de thuisbasis al bijna verdwenen waren. Toen deze uiterlijke kenmerken belangrijk bleken voor de identificatie in het buitenland, gingen de Otavalos ook thuis hun poncho weer als een kostuum beschouwen dat je aantrekt als je ergens heengaat. En meer en meer lieten jonge mannen weer hun haar groeien, terwijl ze dat in voorgaande decennia vaak afknipten.
De panfluitmuziek in de winkelstraten was ook lang niet altijd traditioneel: de muzikanten kwamen er al gauw achter dat ze de meeste cassettes verkochten wanneer ze het nummer El Condor Pasa speelden: bekend van het Amerikaanse duo Simon & Garfunkel.
‘Poncho’s, Panfluiten en Paardenstaarten, de indiaanse handelsreizigers en straatmuzikanten uit Otavalo, Ecuador’ van Jeroen Windmeijer, is een bewerking van zijn proefschrift uit 2001. Behalve de geschiedenis van de Otavalos, van de tijd voor de Inca’s tot nu, gaat de schrijver in op de Spaanse invloeden, het toerisme, de lokale handel en de export, politiek en religies. Het boek verschijnt bij uitgeverij Aksant, ISBN: 90-5260-141-0
Aan de informatie in deze artikelen en verhalen kunnen geen rechten ontleend worden.




Tel: 071-5126400