ANVR

SGR

Calamiteitenfonds

Reis zoeken

Soort reis

Regio

Met oog voor

Reisduur

Vertrekperiode

Prijs

Reisverslag Australië oktober

Reisverslag 29 dagen Australië oktober

In Australië is het altijd mooi weer.
In Australië zijn ze met alles 10 jaar op achter.
In Australië dragen alle vrouwen bloemetjesjurken.
Zo had ik als kind nog wel meer vooroordelen en vreemde ideeën.
Als je eenmaal in Australië was, zou je van de aarde afvallen.
Mijn oom en tante gingen naar het zuidelijk eiland Tasmanië emigreren; zij kwamen nooit meer terug dacht ik toen.
Want het lag aan de andere kant van de wereld. Onbereikbaar ver.
Toen ze al na 5 jaar zoals ze dat toen noemden ‘over’ kwamen droeg mijn tante inderdaad een bloemetjesjurk.

Australië gaat echt voor me leven wanneer ik als 12 jarige een boek lees wat ik nog niet mag lezen. Het gaat over de eerste blanken, gevangenen, die zich vestigen in wat nu Sydney is. Met 750 Britse gevangenen, 400 mariniers en hun vrouwen leggen ze die enorme afstand af over zee via Kaap de Goede Hoop in elf schepen. Alle 11 schepen leggen na 9 maanden aan in Botany Bay maar die baai voldoet niet aan hun verwachtingen en tenslotte vinden ze een andere, veel mooiere en grotere baai, Port Jackson. Die plaats noemen ze Sydney. Vanaf dan wil ik alles weten over dat vreemde land dat veel meer verbergt en in zich heeft dan ik ooit heb vermoed. En net als de ontdekkingsreizigers van de 18e eeuw begin ik in Sydney, gluur daarna over de Blue Mountains om vervolgens in de ban te raken van het rode hart en het bizarre noorden.
Ik struin de bibliotheek af en lees alles over Australië wat ik te pakken kan krijgen. Soms wel 2 of 3 keer hetzelfde boek.
Skippy, Heartbreak High, De Flying Doctors en McLeod’s Daughters mis ik geen week. Die laten heel veel zien van de natuur en het leven in de outback. De mensen zijn er relaxt en saamhorig en het typische taaltje zit vol grappige woorden, afkortingen, en heeft een onweerstaanbare aparte klank.
En ooit, ooit wilde ik daar naartoe. Dat zou gebeuren in een verre toekomst, tenminste dat dacht ik.
Tot december 2007.
Vanessa en Bas zijn net terug van een reis langs de Australische oostkust.
Op een avond belt ze op en opeens zegt ze:
‘Mam, ik wil volgend jaar weer naar Australië, ga je met me mee?’
Maandag-dinsdag-woensdag 6-7-8 oktober Amsterdam-Hong Kong-Brisbane-Cairns
De airbus van Cathay Pacific landt met een bons op de luchthaven van Cairns. Vanessa en ik kijken elkaar aan: daar zijn we dan eindelijk na 23 uur vliegen. Vol verwachting uitkijkend naar wat gaat komen.
Marleen en Ronella, Hanny en Ben en Sharon en haar opa Ton hebben we onderweg al leren kennen. De rest van de Djosergroep staat in de hal te wachten met de reisleider voor die dag, Derek, een enthousiaste man die ons de stad in vogelvlucht laat zien en vervolgens naar hotel ‘Reef Palms’ brengt. Het is heerlijk weer, zo’n 25 graden, het waait nogal en de toppen van de palmbomen (!) zwiepen in de warme wind. Deze eerste kennismaking met Australië doet wel vreemd aan.
Zittend in de tuin van het hotel met een fles koud water krijgen we een aantal folders met excursies die we de komende dagen kunnen doen. Daar zitten leuke dingen bij maar eerst willen we naar onze kamer, opfrissen en even rust. Het is intussen woensdagmiddag half 5. We hebben als het ware 10 uur lang niet bestaan. Maar we hebben geen last van een jetlag.
Voor het donker wordt even de stad in om iets te eten. De esplanade loopt langs de oceaan aan de ene en parken aan de andere kant en ziet er mooi uit. Er heerst een gezellig sfeertje. In het centrum is het een aaneenschakeling van winkeltjes en terrasjes; we gaan eten en kopen de eerste hat-pin. Die komt niet op de hoed maar op onze rugtas die we deze hele reis gebruiken. Van iedere stad of plaats waar we overnachten willen we er een kopen, soms zal dat enig zoekwerk kosten. Hier in Cairns is dat geen enkel probleem. Het wordt vroeg donker, kwart voor 7 al.
Donderdag 9 oktober: excursie Cape Tribulation/Daintree rainforrest
Vroeg uit bed. Wat nou vakantie?? Het gereserveerde ontbijt (brekkie) wordt keurig op tijd gebracht en wij staan om kwart voor 8 klaar om in de bus te stappen. Het is prachtig zonnig weer. Onze reisleider voor vandaag Craig, houdt ook van op-tijd. Vandaag leren we de groep een beetje beter kennen. Er zijn vier echtparen, Erik en Henny, Hanny en Ben, Carla en Jan en Nico en Lia. Verder Kees, Frank, Ronella, Marleen, Andreas, Sandra, Harm en Rob. Opa Ton en kleindochter Sharon en wij. Een heel divers gezelschap uit alle delen van Nederland en op het eerste gezicht zijn het allemaal aardige mensen.
We rijden naar Daintree via slingerende wegen en zien beneden ons prachtige baaien, stranden waar geen mens te bekennen is, plaatsjes als Palm Cove en in de verte een compleet eiland in eigendom van één man. Acteurs en actrices komen hier hun overtollige dollars spenderen en ook nog even filmopnamen maken. Craig weet dat allemaal. Hij wijst ons onderweg ook op de ‘Lollypopman’. Leunend op de schop en het bord met ‘Slow’ vasthoudend wuift hij vrolijk naar de zoveelste bus vol toeristen.
In Daintree maken we een boottocht over de gelijknamige rivier in de hoop de eerste krokodillen te zien. Jammer maar de crocs laten zich niet zien vandaag hoe de gids in de boot ook zijn best doet er eentje voor ons te vinden. Gewapend met een spiegel tuurt hij in de mangrovebosjes, ziet daar iets…..ja dat zou er eentje kunnen zijn.
Maar de natuur is geweldig mooi en daar genieten we lekker van.
Na de lunch in Daintree (broodje Baramundi vis is heerlijk) naar Cape Tribulation. Op die plek komen twee werelderfgoederen, het tropisch regenwoud Daintree Forrest en het Great Barrier Reef samen.
James Cook noemde het ‘Kaap ellende’. Voor ons is het een paradijsje op aarde. Na een uur vertrekken we naar Mossman Gorge, een kloof in het regenwoud. Onderweg vertelt Craig veel over de omgeving. Voor wie de serie de ‘Doornvogels’ nog kent: daar is hier een deel van opgenomen. Enorme suikerrietplantages worden kaalgeplukt door grote machines. Je kunt je het niet voorstellen maar vroeger gebeurde dat met de hand en een soort kapmes tussen giftige slangen. Werden ze niet opgemerkt werden ze ‘lekker’ tot suiker mee-verwerkt. Aha! Vandaar die bijzondere smaak. In de Mossman-Gorge kunnen we een pad volgen door het regenwoud tot een swingbrug en beneden een kijkje nemen bij de waterval en de stroom die omgeven is door grote platte keien. Er zijn veel mensen aan het zwemmen, maar voor ons is de tijd daarvoor te kort.
De afstanden zijn hier te groot om op een dag veel dingen te zien en er ook nog lang te blijven. Om een uur of 5 moeten we alweer terug in de bus naar Cairns. We komen vermoeid terug maar vinden toch de energie om met z’n allen te gaan eten bij een Iers restaurant vlakbij het hotel. Het wordt een erg gezellig etentje en we gaan geloven dat het wel goed zit, 4 weken met deze groep. De toon is gezet, dit gaat lukken.
Vrijdag 10 oktober: Niets hoeft, alles mag.
Wij hebben vandaag geen vaste plannen. Ontbijten zomers op het balkon met de zingende vogels als achtergrondmuziek. We willen de stad in en een hoed kopen. Een paar mensen van de groep hebben in de vroege uren een ballonvlucht gedaan. Als wij naar de stad gaan komen zij net terug. Het was een fantastische ervaring. In de stad doen we een cappuccino bij ‘Villa Romana’. Vanessa is hier 2 jaar geleden geweest en er was toen een medewerker die sprekend leek op Russel Crowe. We spieden al een beetje rond maar helaas, Russel is vandaag zeker vrij. Of hij heeft een andere baan. Of, nóg leuker, was hij het toen echt en leefde hij zich in voor een rol.
De koffie met apple-pie is echter heerlijk. Wij Nederlanders met onze taart bij de ochtendkoffie. Ze vinden dat maar raar. Ze serveren de apple-pie als dessert.
In de stad is het gezellig druk. We kopen een pin voor de rugtas, een zonnebril, slippers, passen hoeden en kopen er eentje van kangoeroeleer bij een heel aardige man. Eten een salade, drinken sap uit een flesje en nemen een zakje chips om het uitgezwete zout aan te vullen. (leuke smoes) En schrijven veel kaarten voor thuis.  Bij Woolworth kopen we eten voor vanavond, soep, salade en mango. Op ons gemak lopen we terug naar het hotel waar we nog even het zwembad induiken.
Dan eten op het balkon en vroeg naar bed.
Zaterdag 11 oktober: zon zee strand, dagtrip Great Barrier Reef
De hele groep heeft deze trip geboekt dus we staan met z’n allen klaar om 7.15. De bus haalt ons op en levert ons af bij de haven waar we aan boord gaan van de ‘Seastar’ een niet al te groot schip met een boven en benedendek. We worden welkom geheten door een enthousiaste crew; zij nemen de dag door, geven uitleg over snorkelen en duiken en willen je een geweldige dag bezorgen. Het weer is wat minder, af en toe een spetter regen maar als we de haven uitvaren breekt de zon door en in de loop van de ochtend is de bewolking bijna verdwenen. Het is heerlijk op de boot. De meeste mensen zitten in de zon op het bovenste achterdek. Iedereen neemt de pilletjes tegen zeeziekte, toch zijn er mensen die enigszins misselijk worden.
Aan de rechterkant, sorry stuurboord(??) zien we Green island liggen. Dan, na bijna anderhalf uur varen komen we aan bij Michaelmas Cay, een klein eilandje in de koraalzee met zo wit zand dat het pijn doet aan de ogen maar zo ontzettend mooi. Alsof je in een levende ansichtkaart beland bent. Het is bevolkt door honderden krijsende sterns waarvan de vrouwtjes allen op een enkel ei zitten te broeden. Vanaf het eiland kan je snorkelen wat een ongekende ervaring is. Je ziet kleurrijk koraal en prachtige vissen om je heen. Als je even wilt uitrusten kan je op het strand zitten of je laat je zakken in het warme water en laat de branding om je heen golven. Visjes komen aanzwemmen, nieuwsgierig naar die benen daar in de branding; je kan ze haast pakken in het heldere azuurblauwe water. Na 2 ½ uur worden we door de rubberboot teruggevaren naar de ‘Seastar’. Eerst lunch en dan verder naar Hastings Reef. Daar gaan de meeste onder begeleiding snorkelen, een paar blijven op de boot heerlijk van de zon en de omgeving genieten. In twee groepen maken we een tochtje met de glasbodemboot. Heel langzaam en voorzichtig laveren we tussen het koraal en zien allerlei vissen en kleurrijk koraal. Het koraal  is heel kwetsbaar en het groeit maar een paar mm per jaar. Na een halfuur gaan we weer terug naar de boot en als alle anderen terug zijn koersen we terug naar Cairns. Het is een geweldige dag geweest, een fantastische ervaring die niemand had willen missen. De boot gaat voor het gevoel heel snel, in anderhalf uur leggen we ruim 50 km af, de golven lijken hoog en de boot stampt, het gaat aardig tekeer. Achterin zitten we heerlijk te deinen op het dek. Naar voren, achteren, links naar rechts. Wij hebben zeebenen!
Terug in Cairns wacht de bus en we zijn snel terug in het hotel. Douchen en een hapje eten op het balkon. Onze laatste avond in Cairns, morgenmiddag vliegen we naar Darwin.
Zondag 12 oktober: sightseeing in Cairns/vlucht naar Darwin
’s Morgens een lekker ontbijtje op het balkon en dan tassen inpakken en uitchecken. We gaan via de Esplanade de stad in. En van de McLeods street. Ja, wij zijn fervente McLeods daughters fans, zo erg dat we zelfs de gelijknamige straatnaambordjes fotograferen.
Zo nu en dan komen we medereizigers tegen, het is frappant hoeveel bekenden je in een totaal vreemde stad tegenkomt! Iedereen is de dag een beetje aan het volmaken tot een uur of 4. Het weer is heel wisselvallig, zon, regen, wind. Langs de haven lopend ontdekken we de ‘Duyfken’, een Nederlandse replica van het schip wat in 1606 een groot deel van de kust van Queensland verkende en op de kaart zette. Jammer, vandaag kan het schip niet bezichtigd worden maar van de buitenkant is het ook de moeite waard. Middags bezoeken we de dierentuin, boven het casino. Het is een nagebouwd regenwoud in miniformaat met veel papegaaien, slapende koala’s en kangoeroes. Een ‘saltie’ ligt zijn leven te slijten in een klein watertje. Beneden is een winkeltje met leuke spulletjes. We rekenen af en het meisje dat ons helpt vraagt belangstellend waar we vandaan komen. Zij zucht verlangend als we vertellen het halve land door te gaan trekken. Zij woont hier maar verder dan 100 km. is ze nog nooit geweest. “To expensive you know”, zegt ze met een ontwapenende lach.
Weer buiten gekomen schijnt de zon en we gaan bij de lagune zitten kijken naar de gezinnen met kinderen die hier hun zondagmiddag doorbrengen. Er komt een jongen naast ons zitten, hij vraagt (uiteraard) waar wij vandaan komen en waar we naartoe gaan. Dat zullen we de komende weken nog vaak te horen krijgen. Wel erg leuk, dit soort gesprekken met wildvreemde mensen. Hij komt uit Denemarken en gaat volgende week weer naar huis na een reis van 3 maanden.
Langzamerhand slenteren we richting hotel waar we om half 6 verzamelen voor de vlucht naar Darwin. We bepraten met de groep wat we zoal hebben gedaan vandaag. We ontdekken dat Ronella en Lia ook McLeods fans zijn. Ronella bekent dat ook zij het straatnaambordje heeft gefotografeerd.
De bus arriveert op tijd en uitgezwaaid door het aardige echtpaar van het hotel rijden we naar de luchthaven.
De vlucht met Qantas verloopt goed. De klok wordt hier een halfuur teruggezet. Na 2 ½ uur landen we in Darwin, lopen de vliegtuigtrap af de hitte van het tropische noorden in. Pffff, daar moeten we even aan wennen zeg. De bustransfer staat al klaar en in no time zijn we bij het Travellodge hotel. Het ziet er allemaal heel mooi uit. In de hal krijgen we de sleutels en bekijken we de vele folders. Maar eerst naar de kamer en een kop thee en koffie. Het is heerlijk dat je daar in ieder hotel gebruik van kan maken. We hebben met de groep afgesproken nog iets te gaan drinken in de stad. Met z’n allen lopen we door de warme straten, vlakbij is een Iers restaurant/café maar daar is het heel druk. Verderop aan de overkant kunnen we met z’n allen wel zitten; we schuiven wat tafeltjes aan elkaar, bestellen bier en flessen witte wijn in emmers ijs en houden het hier uit tot een uur of twee ’s nachts. Het is heel gezellig zo met elkaar. We zien nog een vreemd beest rondlopen, het lijkt wel een rat, oei benen omhoog! Het is een buideldiertje, niks aan de hand.
Het is nog steeds 30 graden en de maan is vol…….
Maandag 13 oktober: Darwin verkennen bij 40 graden C.
Iedereen gaat vandaag z’n eigen gang. De hitte is nu om half 10 al enorm. Maar we willen naar Fanny Bay, hier vandaan ongeveer een uur lopen. Grote fles water mee, die verandert al snel in een ‘hotwaterbottle’. We zien heel weinig mensen op straat, je moet wel Nederlandse zijn en een beetje gek als je met deze hitte een eind gaat lopen.
Bij de baai is het heel rustig, over de gloeiend hete zandduinen kijk je naar beneden het strand op en daar is geen mens te bekennen. Het ziet er wel geweldig mooi uit. De azuurblauwe zee en het hagelwitte zand. Alles zindert van de hitte. Het bekende gele bord waarschuwt voor crocs, zwemmen is niet aan te raden.
We lopen de Darwin Botanic Gardens in. Enorme bomen, varens, bruggetjes, het ziet er prachtig uit maar ook heel erg verlaten en we besluiten toch maar terug te gaan.
In de stad is het onder de luifels beter uit te houden. We strijken neer op een schaduwrijk terras. Binnen kan je je bestelling doen, je krijgt een tafelnummer mee en het wordt na zo’n 10 minuten gebracht. Het meisje zet onze sandwiches op tafel en vraagt: ‘komen jullie uit Nederland?’Jaaaa.
Zij ook. Oorspronkelijk dan want ze is samen met haar familie geëmigreerd en nu trekt ze, zo nu en dan werkend, het land rond. Ze blijft een halfjaar in Darwin en gaat hierna naar Cairns.
De verdere middag brengen we door in de stad, bezoeken leuke winkeltjes en kopen uiteraard een pin voor de tas. Terug bij het hotel gaan we een paar uur heerlijk bij het zwembad liggen en komen we andere reisgenoten tegen. Heerlijk zwemmen en even in het bubbelbad liggen. Boekje lezen en de dag doornemen. Henny en Erik zijn bij een krokodillen farm geweest, zijn op de foto gegaan met een zo’n bakbeest, en een slang. De bek was wel uit voorzorg dichtgesnoerd.
Maar de foto van Henny met croc en snake zag er spannend uit.
Als de zon ondergaat lopen we naar de andere kant van de stad om de zonsondergang te zien. Daar zijn mooie doorkijkjes waar de zonsondergang prachtig te volgen is. Sharon, Lia en Nico komen ook aanlopen met hun camera’s. We moeten uitkijken waar we lopen want de mieren zijn hier talrijk en voor je het weet kruipen ze je schoenen in. De zon kleurt rood onder, de zee in, het gaat veel sneller dan in Nederland. Precies er tegenover staat de maan, nu nog vaag maar naarmate het donkerder wordt (dat gaat hier ook snel) verkleurt hij in helder geel. 
Oei, toch een mier in m’n schoen. Stond tijdens het schouwspel precies op het nest.
We gaan vroeg terug naar het hotel, drinken daar een koele witte wijn bij het sfeervol verlichte zwembad en werken ons dagboek bij. Morgen begint het kamperen in de bush.
Dinsdag 14 oktober: Bye Darwin, civilized world, hello bush. Kakadu National Park.
Koffers inpakken en om 7 uur staan we buiten op de bus en chauffeur te wachten die ons de komende twee dagen naar Kakadu en Katherine zal brengen. De bus met bagagetrailer wordt bestuurd door Yvon, casual gekleed in safarigroen.
Yvon vertelt dat het vandaag een dag in de bus wordt met enkele stops. Ze raadt aan veel water te drinken en onderweg een vliegennetje aan te schaffen want de vliegen zijn een plaag in dit seizoen. Via Palmerston rijden we via de Stuart Highway Arnhemland in. Het gebied staat aan de vooravond van het natte seizoen, ‘the wet’. Dit land ligt vanaf november tot april onder water en veel gebieden zijn dan van de buitenwereld afgesloten. Het vee zoekt de hogere weidegebieden op en moet zichzelf zien te redden.
Het landschap waar we doorheen rijden is vrij vlak maar de bomen zijn groen ondanks de droogte. Het heeft hier sinds maart niet meer geregend. Deze maand is de allerwarmste van het jaar. Het is de opbouw naar het regenseizoen. Waarom komen jullie in deze tijd, vraagt Yvon zich af. Wij toeristen denken in onze onschuld: het is toch lente? Niet zo heet?
Wat moet die fietser hier? Ongetwijfeld een Nederlander.
Volgende stop is Corroboree park tavern. Hier kopen we wat te eten en uit voorzorg een vliegennetje. Het is heel prettig dat bij iedere stop een toiletgebouw is. En ook meestal schone w.c.’s.
Na een halfuur rijden we weer oostwaarts en stoppen we bij de Mamukala wetlands waar heel veel ganzen, reigers en plevieren te zien zijn vanuit een spotplaats. Dit ‘doen’ we even tussendoor voordat we doorrijden naar de lunchplaats, campground Cooinda, waar we vannacht ook slapen. Niet in tentjes maar in cabins met stapelbedden. Vrijwel iedereen is hier heel blij mee. In de grote tent maken we gezamenlijk het eten klaar. Yvon rent heen en weer en wij snijden de uien, tomaten en sla.
’s Middags bezoeken we het Bowali aboriginal visitors centre en Ubirr Rock. De weg ernaartoe is al schitterend, met prachtige rotsformaties en veel termietenheuvels langs de weg. In het park laat Yvon verschillende rotstekeningen en schilderingen zien, lang geleden gemaakt door de aboriginals. Met de daarbij horende verhalen krijgen de tekeningen extra betekenis. De kleuren, oker, geel en rood, gemaakt van natuurlijke kleurstoffen en pigmenten, werden gemengd in kleine kuiltjes in de rotsen die je nog steeds kunt zien. In een aantal etappes klimmen we omhoog naar het hoogste punt en daar hebben we een fantastisch uitzicht op de grillige rotsen aan de ene, en de wetlands aan de andere kant. We blijven een tijdje ademloos het landschap bewonderen.  In de verte zien we onweerswolken.
Weer terug bij de camping maakt Yvon de cabins open en we kunnen ons installeren. Een aantal gaat Yvon helpen met het eten en de rest gaat heerlijk douchen in het vlakbij gelegen toiletgebouw. Als we nog even voor de tent zitten te schrijven horen we in de verte gerommel en we zien de eerste flitsen in de lucht. Geweldig om hier een onweersbui mee te maken. Al gauw staan een aantal mensen te genieten van de felle bliksemschichten en de daaropvolgende donderklappen. We zijn zo geboeid dat we vergeten de curry te roeren.
Wij Nederlanders zijn hier dus het gaat ook regenen en niet zo’n beetje ook. Tijdens het eten, kip-curry en rijst, superlekker, raast het water op het tentdak. Je kan elkaar bijna niet verstaan. Het gaat nog lange tijd door, ook als we na de afwas nog gezellig nazitten met koffie en thee en kletsen over Sinterklaas en lootjes trekken. Dat lijkt nu wel heel ver weg.
We gaan slapen om een uur of 10. Beetje angstig want Yvon heeft verteld over het buideldier, een soort opossum wat hier over de camping zwerft en dol is op alle soorten eten maar vooral op pindakaas.  Dus als je iets eetbaars in je tas hebt, haal het eruit want hij ruikt het en rust niet voordat hij te pakken heeft. Het zal je een slapeloze nacht bezorgen.
De slapeloze nacht wordt echter niet door het diertje veroorzaakt maar door twee buren die als een perfect op elkaar ingespeeld duo het bos omzagen. We krijgen er de slappe lach van. 
Woensdag 15 oktober: cruise Yellow Waters
04.30 uur gaan de eerste wekkers af. Zijn we gek geworden??? Is dit echt vakantie????
In het donker rijden we weg want voor zonsopgang willen we bij Yellow Waters zijn. We gaan daar een cruise van 2 uur doen en hopen nu eindelijk krokodillen te zien. De nevel hangt over het water, een prachtig gezicht. Aan het roer en als gids een enthousiast meisje, zij vertelt over flora en fauna hier in Yellow Waters, zo genoemd vanwege de bloeiende algen op het wateroppervlak. Al snel zien we de eerste krokodil. Iedereen staat aan een kant van de boot te kijken en foto’s maken. Ze zwemmen geruisloos langs de boot of liggen lui langs de waterkant met hun vervaarlijke bek open. Wát een joekels van beesten! Af en toe moeten we naar de lucht kijken en zien en horen zwérmen ‘magpie-gees’, machtige visarenden en de vliegensvlugge ‘kingfisher’ die we met veel moeite kunnen vastleggen. Het is al met al een indrukwekkende tocht.
De komende drie uur rijden we richting Edith Falls met enkele stops. Vaak een winkel met van alles en nog wat te koop, bij deze kan je ook kamperen, barbecuen en als we naar achteren lopen zien we zelfs een zwembad! Helaas, alleen voor campinggasten.
De eigenaar is een goedmoedige man, een soort Hurtle, zo weggelopen uit de garage van de Flying Doctors. In de koeler staat een grote voorraad ijskoude flessen frisdrank, in de vitrine warme pasteitjes. (Zien er lekker uit maar wat zal er in zitten?)
Bij Edith Falls kunnen we zwemmen ondanks dat hier (onschuldige ??) krokodillen zijn.
Sharon, Lia, Andreas, Rob en Yvon zwemmen helemaal naar de overkant. Wij gaan alleen even kopje onder bij de kant en laten het daarbij. Wij gaan met Yvon een korte wandeling maken, een walk-and-talk bij de Edith river. Ze wijst op gombomen met een roze en witte, heel zachte bast. De paperbark-tree met afbladderende schors wat heel brandbaar is en door de aboriginals ook als zodanig gebruikt wordt. Geneeskrachtige planten, tegen allerlei kwaaltjes. Het is hier een idyllische plek, heel stil en vredig. Het riviertje stroomt onder de stapstenen waar we overheen lopen. Vogeltjes fluiten vrolijk en de kraai die ons door het hele land zal achtervolgen laat zijn klaaglijke geluid horen. Wha wha wha-ahhhhh.
Terug bij de anderen wordt het tijd weer verder te gaan naar de laatste stop van vandaag, Katherine, waar we op de beroemde Ghan trein zullen stappen naar Alice Springs.
In Katherine doen we inkopen voor het avondeten in de trein. Bij Woolworth lijkt het wel zaterdag bij Deen in Opmeer. Er zijn veel kassa’s open en alle winkelwagens lijken wel vol. Voor het eerst zien we groepjes aboriginals. Ze stralen niets vriendelijks uit en als ze je aankijken verschijnt er geen lachje op hun gezicht. Alsof ze dwars door je heen kijken.
Ik hoop de komende weken meer over hen te weten komen.
Bij het station nemen we afscheid van Yvon en lopen naar de bagageruimte waar we onze (zware) tassen afgeven. Erik heeft de lijst met namen en plaatsen en dirigeert iedereen keurig naar zijn plaatsje in de GHAN. Het is half 7 en we reizen in 16 uur naar Alice Springs. We zullen dus moeten slapen in onze stoelen maar die zien er comfortabel uit dus dat moet lukken. Er zijn eetgelegenheden aan boord, goede toiletvoorzieningen en zelfs een douche. Handdoeken liggen klaar voor gebruik. We eten ons ‘diner’ salade en yoghurt en kopen bij de bar een klein flesje wijn. Het wordt al snel donker, wel jammer dat we weinig tot niets van de omgeving kunnen zien. 
We gaan proberen te slapen maar in de stoelen is dit haast onmogelijk. Degenen die alleen reizen hebben lekker 2 stoelen tot hun beschikking en kunnen languit liggen. Andreas gaat een tijdje in het gangpad liggen en slaapt daar heerlijk. Het is koud in de trein; daar hebben we in deze hete streek geen rekening mee gehouden want we reizen in shirt en korte broek terwijl de warme kleding in de reistas zit. We brengen in een ongemakkelijke houding, rillend onder een handdoek en omgeven door gesnurk van een paar medepassagiers de nacht door. Af en toe dutten we in en schrikken dan weer op door het gezaag. We worden heel melig en barsten op een gegeven moment in lachen uit. We steken de anderen aan en kunnen niet meer ophouden met lachen.
Dat maakt deze reis achteraf toch nog tot iets bijzonders.
Sorry dat we misschien mensen wakker hebben gemaakt!!
Donderdag 16 oktober: ‘G’day mates I’m Sauce’.  Alice Springs-Kings Canyon
Om een uur of 6 ontwaakt iedereen zo’n beetje en er komt een run op de toiletten en douche.
Half 9 arriveren we in Alice Springs; als we uit de trein stappen voelt de temperatuur verrassend lekker aan. De zon schijnt fel en de wind is heerlijk koel. Koffers ophalen en dan wachten op de chauffeur/gids die onze groep de komende 3 weken gaat begeleiden. Daar draait de bus het terrein op. Kijk we hebben weer een vrouw, roepen we. O, ze heeft een snor! En een sikje! Sheila, no way, it’s a BLOKE. Hilariteit alom.
Zo verloopt onze eerste kennismaking met Sauce, ja zo stelt hij zich voor en we weten meteen dat het goed zit. We hadden al gehoopt op zo’n gids, zo’n echte outback-Jack, nou hij maakt onze verwachtingen meer dan waar.
Sauce laat ons eerst Alice verkennen en zal ons na een uur weer ophalen.
Alice is een leuke stad. Dit zei Joe tegen Jean in  ‘A town like Alice’, en hij heeft gelijk.
We bezoeken de Royal Flying doctors service, dit roept herinneringen op bij de meeste van onze groep aan de gelijknamige serie. We krijgen een korte rondleiding en kunnen dan op eigen houtje het kleine museum en de shop bezoeken. Er zijn veel leuke spulletjes en we kopen iets voor thuis. Alice Springs heeft veel andere leuke winkeltjes en parken, waar groepjes Aboriginalgezinnen bivakkeren. Ik vind het heel triest zoals ze daar zitten. Dat eens zo sterke volk, binnen 200 jaar gereduceerd tot doelloze zwervers? Al hun afval laten ze liggen terwijl overal vuilnisbakken staan. De vrouwen zien er vormeloos uit, en, sorry dat ik het zeg, niet echt mooi. Dat komt ook door de nietszeggende, soms ronduit boze blik in hun ogen. Zouden er eigenlijk nog stammen op de oorspronkelijke manier leven? Ik heb begrepen van wel en hoop dat dit waar is.
Terug bij de bus staat Sauce te wachten. We gaan richting Kings Canyon resort, een reis van zo’n 300 km. Onderweg vertelt hij van alles over de omgeving en we stoppen regelmatig voor eten en koffie. Bij de eerste stop bij Stuarts Well zijn allerlei beesten; kamelen, emoes, alpaca’s en kangoeroes. Ronella en Sharon gaan kameelrijden, lachen! Bij een volgende stop staat een auto met pech en 3 Nederlanders er omheen. Het is een ouwe brik, zwart, vrolijk beschilderd met groene sterren. Wat een avontuur om daarmee door dit land te crossen. We rijden verder over de Stuart Highway, genoemd naar de degene die dit deel van het land voor het eerst doorkruiste, John McDouall Stuart, en slaan nu af in westelijke richting naar de Lasitter Highway. (Lassiter stierf in dit gebied op zoek naar goud) Het landschap is wijds en boeiend, ondanks de eentonigheid van kale stukken, spinifex en een enkele verdorde boom. Het volgende moment weer groepen gombomen, desert oaks en een soort wat eruit ziet als een ingeklapte paraplu. Bij de stop in Mt. Ebenezer is een shop waar je van alles kunt krijgen en in een aparte ruimte vinden we een uitgebreide collectie Aboriginalkunst waar we een tijdje rondkijken.
Terug in de bus rijden we een tijdje en volgen de Luritja Road. Sauce stopt opeens, keert dan om. Afslag gemist? Nee, thorny devil gespot!! Hij rijdt terug, speurt de kant van de weg af….ja daar zit hij. Allemaal stappen we uit, Sauce loopt naar de overkant en vangt het beestje heel voorzichtig om het dan bij ons neer te zetten zodat wij het kunnen bewonderen want het kleine hoornige beestje is zeldzaam en prachtig om te zien. Hij heeft perfecte schutkleuren. Als hij het op een lopen zet zien we dat hij een achterpootje mist.
Weer in de bus kijken we wat intensiever uit het raam want je weet maar nooit….
Helaas blijft het vanaf dan bij een paar dode kangoeroes langs de weg. Waar blijven de levende?????
Om 7 uur komen we aan bij Kings Canyon Resort en tot onze verrassing hebben we daar voor vannacht allemaal weer een cabin (soort luxe tent) met échte bedden. Sandra is hier weer héél gelukkig mee.
Eten doen we in een enorme tent; bestellen bij de bar, nummer mee en het wordt gebracht. Er staat o.m. barramundi-vis, pizza en kangaroo op het menu en dat smaakt geweldig lekker. We zitten heel gezellig op houten banken aan een lange tafel. De muzikale omlijsting is een verhaal apart. Op het podium staat een illuster duo. Hij bespeelt de gitaar en ritmebox en zij slaat met een rinkelende stok op de vloer en haalt mensen (slachtoffers) van hun eettafel om mee te doen met een raar liedje of dansje. “Zijn er ook Nederlanders in de zaal????” gilt ze. Wij roepen “JAAAAAA” en haar blik valt op Andreas. Hij moet er aan geloven, maar hij doet het aardig onder het begeleidend gejoel van zijn medereizigers.
Moe van de dag gaan we naar onze cabins. Bewonderen onderweg de prachtige sterrenhemel. We laten aan een kant de flap van de tent open zodat we liggend de volle maan kunnen bekijken en de frisse nachtlucht binnen kan stromen.
Vrijdag 17 oktober: Kings Canyon-Uluru-Kata Tjuta-Kippenvel
Vroeg uit de veren voor de tocht naar Kings Canyon waar we de ‘Rimwalk’ gaan doen. Een 7 km lange tocht hoog over de kliffen. In de grote tent zorgen we al geroutineerd zelf voor het ontbijt, roosteren brood, zetten thee, doen daarna de afwas en zetten de spullen en tassen in de trailer. Om 7 uur stappen we in de bus. We rijden door een prachtig gebied, met rode en okerkleurige rotsen.
Een groot deel van de groep maakt de tocht naar boven en een paar blijven beneden voor een korte wandeling door de kloof.
De tocht naar boven gaat de eerste 100 meter steil omhoog via de rotsen, niet voor niets ‘Heart attack Hill’ genoemd, daarna blijft het vrij vlak. Het uitzicht boven is echt geweldig. Je kijkt een enorme diepte van 300 meter in en bij al die grootsheid voel je je heel nietig. De kleuren van de zandstenen rotsen variëren van geel, oker tot dieprood en zijn uit honderden laagjes opgebouwd. Je loopt langs een duizelingwekkende afgrond en mensen met hoogtevrees voelen hier hun knieën knikken. Het is een onvoorstelbaar mooi landschap wat leidt over rotspartijen, bruggetjes en trappen. De temperatuur loopt aardig op en de hitte wordt intens maar niet ondraaglijk, als je maar genoeg water drinkt en een hoed of pet draagt.
’s Middags: spannende tocht naar de bekendste rots van Australië: Uluru of Ayers Rock. 
Bij een roadhouse kopen we (ijs)koffie, chips voor onderweg voor de aanvulling van het uitgezwete zout en zakken snoep die de hele reis door de bus de ronde doen. De luchtvochtigheid is hier volgens mij 0,00 procent en onze huid verdroogd en verdord hoe je je ook insmeert. Ook de slijmvliezen in je neus verdrogen en je snuit je neus tot bloedens toe. De vliegen zijn soms irritant maar het hoort erbij en als je je er niet teveel aan ergert valt het best mee. Stoffig is het ook, je haar voelt raar en je kleren krijgen een zachtrood waasje en vertonen bruine vlekken. Maar je hoort niemand klagen want we vinden het allemaal heerlijk!!!!
Dit onherbergzame land heeft ons in zijn greep.
De George Gill Ranges, waar Kings Canyon toe behoort liggen nu links van ons. De kleuren zijn weer anders dan gisteren en vanmorgen. Langzaam wordt het gebergte minder hoog. Iedereen is nu een beetje aan het wegsuffen vanwege het vroege opstaan vanmorgen.
Dan roept Sauce opeens: ‘did you spot ULURU??’ We zijn allemaal wakker.
Ogen wijdopen turen we naar waar hij naartoe wijst. Zijn we er nu al, dat kan helemaal niet. 
We kijken naar Mount ‘Fuluru’ oftewel ‘the Toothbrush’ oftewel Mount Conner. Hij is veel platter dan Uluru en werkelijk, hij heeft de vorm van een tandenborstel compleet met afgeplatte haren en een lange steel. We stappen uit de bus en kunnen een halfuur de omgeving bewonderen en foto’s maken. Aan de overkant van de weg lopen we via een rode zandduin omhoog en hebben daar uitzicht op Lake Amadeus, een enorm zoutmeer. De hitte is hier enorm en het zand roder en fijner dan we ooit gezien hebben en deze reis ook niet meer tegenkomen. Het is prachtig. Boven op het duin zie je de Lassiter Highway het rode landschap doorsnijden, het ligt er eenzaam en verlaten bij. 
Bij een volgende stop, Curtin Springs, kopen we noten en alweer chips waar je ’s middags zo’n onweerstaanbare maar verklaarbare trek in krijgt. De toiletten worden hier niet aangegeven met ladies en men maar ‘sheila’s’ en ‘blokes’. Hier kopen we een flinke hoeveelheid xxxx bier in blik, wijn en whisky want in Ululu national park mag je het wel drinken maar is het niet te koop. Na weer een uur rijden door het steeds wisselende landschap komt de echte Rock in zicht. Als een blauwe waas doemt hij op, echt heel mooi. We turen geboeid door de ramen terwijl het gesteente van blauwig naar bruin kleurt. Maar nog even geduld, we moeten eerst naar de slaapplek voor vannacht.
We komen om een uur of 5 aan bij Yulara Resort wat ongeveer 20 km van Uluru-Kata Tjuta national park af ligt. Op gepaste afstand dus.
We krijgen een tweepersoons koepeltentje en mogen die opzetten op een veldje met als ondergrond rode steen. Je kunt op de haringen slaan tot je een ons weegt, je krijgt ze er niet in. Hoogstens sla je ze krom. Onze tent staat in no-time. De haringen leggen we plat neer en leggen daar een stuk steen (zijn er genoeg) bovenop. Binnen in de tent in twee hoeken een zware tas tegen het wegwaaien, simpel.
Als alle tenten redelijk goed zijn opgezet stappen we de bus in naar Uluru om de sunset mee te maken. Steeds verandert het zicht op de rode rots, de bus draait en aan de andere kant ziet hij er weer anders uit. Dit is toch wel een heel mooi moment.
Je ziet Uluru zo vaak op foto’s en als je die kolos dan in werkelijkheid ziet en nu ook van heel dichtbij, is het heel onwerkelijk. Kippenvel.
We lopen langs de honderden toeristen met hun champie en wat een verrassing. Sauce neemt ons mee naar een plekje alleen voor ons! Geweldig zeg! De Nederlandse vlag hebben we helaas niet bij ons. Niks champagne maar: ‘wanna beer mate?’ Sauce heeft kaas, worst en aardbeien mee, smaakt lekker bij het bier. We maken ontelbare foto’s, ook van elkaar met de rock op de achtergrond. We kijken ze later terug, gek, net of wij ervoor zijn geplakt. Het lijkt gewoon nep. De zon gaat om even over 7 uur onder in een roodgouden gloed en kleurt Uluru van rood naar bruin. Aan de andere kant van het veldje ontdekken we ook een bijzonder schouwspel, dat van Kata Tjuta (Olga’s) die in de verte paars blauw kleuren in de ondergaande zon. Al met al is het een indrukwekkend uur en we zijn allemaal onder de indruk.
Terug op de camping gaat Sauce koken, wij gaan de was doen en hebben enorme lol.
Nog lang niet uitgelachen gaan we eten in de grote tent. Sauce heeft zijn best gedaan op de lappen kangoeroevlees en worstjes met roast-potatoes en salade. We pakken er een biertje bij. Voordat we gaan slapen staan we nog een tijdje buiten om de prachtige sterrenhemel te bekijken. De sterren van Orion staan nu heel ver uit elkaar, de maan is eergisteren vol geweest en er is nu een klein hapje uit. Het is een schitterende stille en warme avond; je raakt niet uitgekeken. Ik zou de hele nacht wel willen opblijven.
Ik vind het hier gewoon fantastisch. En velen met mij. De felle zon, enorme droge hitte, kale vlaktes, ruige bergketens, zelfs de vliegen hinderen me (nog) niet. Heb het netje zelfs niet opgehad.
Met de groep wordt het ook steeds leuker. Het geeft een extra dimensie aan de reis. Een onverwacht genoegen!
Maar nu slapen in de tent, super! De slaapzak heeft een capuchon en is lekker warm. ’s Nachts horen we dingo’s huilen, net wolven die janken naar de maan. Zo nu en dan knispert het tentzeil in een windvlaag, alsof het regent.
Zaterdag 18 oktober: Uluru-Kata Tjuta op de grond en hoog erboven.
Vroeg op, kwart over 5. Ontbijt, afwas en in het donker richting Uluru waar we de lange wandeling van ruim 9 km gaan maken. Na overleg hebben we besloten niet tussen de massa de sunrise te gaan bekijken. Als we de weg opdraaien zien we de donkere rots op ons afkomen en dat is echt indrukwekkend. Donker, enorm groot, het heeft iets dreigends. Sauce zet ons af bij de parkeerplaats en wij gaan met de rugtas gevuld met flessen water en camera’s op stap. Er staat een harde wind aan deze kant. Langzaam komt om 10 over 6 de zon op, het heeft iets magisch. Als je de Rots vanaf een afstand ziet lijkt hij egaal maar zo van dichtbij zie je dat hij heel veel gaten, kloven en holen bevat. En dan te bedenken dat het grootste gedeelte onder de grond verborgen ligt. Het is machtig mooi om er zo dichtbij te zijn. We raken met z’n vijven achter bij de groep en houden een rustig tempo aan. Vanessa, Nico en Marleen nemen ook de tijd om mooie foto’s te maken, we blijven vaak staan om de vele grotten, richels en vreemd gevormde holten te bewonderen en laten de magie van de Rots uitgebreid tot ons doordringen. Op sommige plaatsen is fotograferen verboden. Later zal Sauce uitleggen waarom. Maar er blijven zoveel mooie plekken over dat dit absoluut niet storend is. De aboriginals hielden hier reeds 22.000 jaar geleden hun ceremonieën. Na bijna 3 uur komen we weer terug bij de parkeerplaats waar de rest van de groep al staat te wachten. Op dat punt zien we waar je de tocht naar boven kan maken. Het ziet er niet erg aanlokkelijk uit, het is een steile klim met alleen een veiligheidsketting om aan vast te houden. Vandaag is het gesloten vanwege de harde wind en hoge temperatuur.
Na de lange wandeltocht is het heerlijk in het nabijgelegen bezoekerscentrum een cappuccino te drinken, de galerie met aboriginalkunst door te lopen en het museum te bekijken. Uiteraard een pin gekocht (de anderen kijken er voor ons al naar uit) en een sleutelhanger met de aboriginal vlag. Het geel staat voor de zon; rood van de aarde en zwart stelt de regen (donkere lucht) voor. We rijden weer terug naar Uluru om uitleg te krijgen over de cultuur van de aboriginals en de rotsschilderingen. Hier zijn er veel minder te zien dan in bv Kakadu, men had er veel minder tijd voor omdat bijna alle tijd werd besteed aan het vergaren van het schaarse voedsel.
De verhalen over versteende jongens en de regenboogslang zijn erg interessant.
De aboriginal verhalen worden van vader op zoon verteld en niets wordt op schrift gesteld. De kans bestaat dat de complete cultuur op een dag uitsterft.
De dag is goed gevuld, we vertrekken naar Kata Tjuta, de Olga’s. Op de weg er naartoe zien we de eigenaardige koepels verkleuren van blauwig naar terracotta. Dichterbij gekomen is dit ook weer indrukwekkend en zo groots. De koepels staan schuin, heel eigenaardig. Sauce geeft een lesje geologie. Hij plaatst een aantal stenen op de grond en legt uit hoe deze rotsen zijn ontstaan. Eens was dit, samen met Uluru, één grote bergketen.
Omdat het om deze tijd heel erg heet is gaan we een korte wandeling door de rotsen maken. Een paar blijven in de schaduw, anderen lopen een uur en in die tijd is de ‘hotwaterbottle’ met anderhalve liter water ook echt op.  Deze plek doet wat met je, net als Uluru. We staan even stil, kijken op naar die 450 meter hoge koepel en ervaren zo’n rust.  Wat is het hier vredig en toch ervaar je een grootsheid. De hitte is enorm maar past wonderbaarlijk bij de omgeving. We horen iets wat we nog nooit hebben gehoord: absolute stilte.
Dit is ook weer een onvergetelijke ervaring.
Maar de dag heeft nog een knaller voor ons in petto. Kees, Sharon, Frank, Marleen, Vanessa en ik hebben gisteren een helikoptervlucht geboekt die over het national park zal vliegen. We worden vanaf de camping opgehaald en op het vliegveld stappen we in 2 helikopters. Dit doen we allemaal voor het eerst, best spannend en als je een vliegtuig gewend bent is de zitruimte erg krap. Boven de vlakte vliegend (eigenlijk zwevend) heb je dat niet meer in de gaten want het uitzicht is schitterend. De horizon is licht gebogen, spatzuiver en zonder onderbrekingen. Daar is onze camping, in het zwembad zwaaien ze naar ons (horen we later). De wegen zijn dunne lijntjes en je ziet een enkele boerderij. Uluru rijst statig op in het vlakke land en verderop Kata Tjuta. We vliegen er omheen maar niet erboven. Voor ons uit schiet de andere heli vooruit, althans zo lijkt het. Het halfuur is zo om. Maar we vonden het alle zes ontzéttend gaaf!
Terug op de camping zit iedereen in de grote open tent te schrijven en kletsen. Het avondeten bestaat uit een stew van kangoeroevlees met groenten en saus, buiten klaargemaakt op de grote bakplaat. Erbij aardappelpuree, koolsalade en een biertje. Het is heel erg lekker.
We zijn allemaal erg moe na de lange dag en gaan al vroeg naar de tent. In de toiletruimte ontmoeten we een groep luid kwetterende Amerikanen, er is ook een Roseanne-look-alike bij met net zo’n stem. Zij slapen met z’n allen in de open lucht.
We vallen in slaap met hun liedjes op de achtergrond.
Zondag 19 oktober: dagje in de bus(h) op naar Coober Pedy.
We worden gewekt door de Amerikaanse buren die luidruchtig op een pan slaand ook de rest van de camping wakker maken.
De tenten breken we af, matjes in de schuur, slaapzakken oprollen en bovenin de trailer.
Vertrek om 06.00 uur. Eindbestemming is Coober Pedy hier ruim 700 km vandaan.
Een laatste blik op Uluru en Kata Tjuta. Mount Connor doemt op en dan een hele tijd niets dan vlak woestijnachtig land met hier en daar wat begroeiing en achtergelaten wrakken van auto’s. Tegenliggers zijn hier zeldzaam.
We stoppen om te tanken, we kunnen even onze stramme ledenmaten strekken en doen maar even een kort lesje Yoga en Pilates in de buitenlucht.
De grens met South Australia komt in zicht. De klok gaat van 10 naar 11 uur. Vandaag is het een bus(h)-dag. Vreemd landschap trekt aan ons voorbij. Kale vlakten, in de verte heuvels als een blauwige achtergrond. Een eenzame windmolen. De lunch maken we in Marla; een leuk roadhouse met buiten prachtige bloemen en zwermen rosella’s in de bomen.  Met ook uiteraard de droefgeestige kraai. De lunch maken we met z’n allen in de achtertuin en zetten het als een buffet op de picknicktafel. Het is er heerlijk en het eten lekker.
De volgende drie uren rijden we door het vlakke, rode land met hier en daar wat bomen, gras en soms helemaal niks. Gek genoeg verveelt het niet, dit is Australië en het lijkt werkelijk in niets op Nederland. Muziek van de R.H. Chili Peppers, U-2  in de bus en de eigen i-pod. Onderweg stoppen we een paar keer voor een snelle koffie, een shaggie (Sauce) en een toiletbezoek.  Naarmate we dichter bij Coober Pedy komen zien we steeds meer kegelvormige zandheuvels langs de weg. Het lijken wel hopen van een gigantische mol.
Dit zijn overblijfselen van mensen die naar opaal gegraven hebben maar het hoogstwaarschijnlijk niet hebben gevonden. Ook hier en daar enorme graafmachines. Om half 6 arriveren we in de opaalstad. We kijken onze ogen uit. Wát een oord! Rijdend door de stad zien we een ratjetoe van huizen, golfplaten schuttingen, machines, sloopauto’s, een viersterren hotel, een school, een ziekenhuis, een artshop genaamd John and Yoka’s en veel restaurantjes. We stoppen bij bunkhouse number 2, hier slapen we vannacht. Tassen uitladen en naar binnen om de (stapel) bedden op te maken. Lakens, dekens, handdoeken en slopen liggen klaar op een tafel en we lopen een brede gang in met aan weerszijden nissen met gordijnen en daarachter 2 stapelbedden. We gillen van plezier als kleine kinderen op schoolreisje. Een 5 sterrenhotel had ons niet meer kunnen bekoren. Kees slikt snel ‘is dit alles’ in, zijn mond klapt open van verbazing. ‘Hoef je één nacht niet in een tent. Denk je: ha lekker weer eens in een hotel. Stoppen ze je in een GROT’
Hanny en Ben willen bij ons slapen. We vinden het helemaal geweldig.
Na een korte tour door de stad bezoeken we de opaalshop waar we eindeloos kijken en niet kunnen kiezen. Maar morgen komen we hier ook weer dus we kunnen er een nachtje over slapen.
’s Avonds gaan we eten in John’s pizza Bar & Restaurant. We maken kennis met een loslopende dingo.
Binnen is de tafel al voor ons gedekt en we schuiven aan. Het knoflookbrood, de salade en de pizza’s zijn verrukkelijk. Het zijn vast Italianen denken we. Maar na het eten spreekt Kees met de eigenaar en hij komt later naar ons toe om zijn hele verhaal te vertellen. Het is een Griek, kwam hier in 1984 en zijn hele familie helpt in het restaurant. Het is hard werken maar hij voelt zich hier thuis en verdient goed geld.
’s Nachts slapen we in de grot en het is een aparte ervaring. De voordeur heeft een cijfercode die je dient te onthouden want moet je ’s nachts naar het toilet, wat buiten de slaapplaats is, en je weet de code niet meer, heb je grote pech en breng je de rest van de nacht kleumend buiten door. Ik word ’s nachts wakker, doe m’n ogen open en zie: NIETS. Het is echt aardedonker.
Maandag 20 oktober: Coober Pedy excursie-Marree campground-hemelse sterren.
We worden op een aparte manier gewekt bij gebrek aan fluitende vogeltjes door A. die meezingt met zijn i-pod en T. die er lustig op los snurkt. Half 7 opstaan en douchen. De deuren kunnen niet op slot dus we zetten er een schoen tussen en een handdoek er bovenop. In de ‘bunkhouse’ ontbijt gemaakt, tassen ingepakt en naar buiten. Sharon verschijnt in alweer een leuk luchtig jurkje. Waar laat ze al die kleding? Haar tas is niet eens zo groot.
We hebben om 8 uur al een excursie door de mijn en dug-outs, ondergrondse huizen.
Eerst zien we een film hoe het opaal ontstaan is en hoe men erachter kwam dat er opaal in de grond zat. Het is heel toevallig ontdekt door een 14 jarige jongen. Hij was daar tijdelijk achtergelaten door een groep goudzoekers die verderop naar water ging zoeken. De knul verveelde zich en ging wat in de grond staan hakken. Met verstrekkende gevolgen. In de jaren daarna werd het stadje overstelpt met maar liefst 50 verschillende nationaliteiten. Dan krijgen we van een zeer aardige gids een lesje in opaal slijpen, dit gebeurt in drie fases.
Marleen krijgt het zojuist geslepen stukje opaal omdat zij in oktober, de maand van het opaal, jarig is.
We lopen met de gids naar beneden en komen in een ondergrondse woning. Het is er ruim en heerlijk koel. Het is volledig ingericht, dus bankstel, tafels, keuken, badkamer en een aparte knusse slaapkamer. En zelfs schilderijen aan de muur. Het was als het ware twee vliegen in één klap slaan. Je gaat graven naar opaal, je graaft verder en dieper, vind je niks nou dan maak je er dus maar een huis van. Sommige mensen hebben op deze manier aardig wat onroerend goed bij elkaar gegraven en verhuren dit weer als hotel aan de toeristen. Die het op hun beurt weer geweldig leuk vinden en er grif wat extra geld voor neertellen (zoals wij). Weer verder naar beneden, we zijn nu op 17 meter diepte, komen we in een voormalige mijnschacht. Hoe komen de mensen hier eigenlijk aan de explosieven? Simpel, bij de supermarkt. Samen met het brood en de melk in de winkelwagen een soort dokter Oetker mix voor bommen. ’s Avonds zit men na het eten gezellig voor de t.v. explosieven in elkaar te knutselen.
Hier wonen sommige mensen al 30 jaar. Willen voor een jaartje gaan graven maar blijven hangen. Hoewel het merendeel een baan heeft en alleen in het weekend als vrijetijdsbesteding opaal gaan zoeken. Grote bedrijven zie je hier niet. Ze laat een rode ader zien die horizontaal langs de mijnwand loopt. Daarachter zit vaak het opaal. Even verderop zie je een groot stuk groen doorzichtig stuk, het is echt opaal. Vraag: waarom wordt dat er niet uitgehakt? Duidelijk: je moet de toeristen iets laten zien.
Na dit alles krijgen we zin iets te kopen in de opaalshop, we hebben er een nachtje over kunnen peinzen en gaan nu direct op ons doel af. Uhhh, toch niet. De shop doet uiteindelijk goede zaken met die zuinige Hollanders die uren doen over het kopen van een opaaltje van ……dollar. Ja, duur is het wel.
Bij de (gratis) koffie ontdekken we dat de halve groep Engelse detectiveliefhebber is. Dat zorgt voor weer veel gesprekstof.
In de bus rijden we over de Oodnadatta track, een onverharde hobbelweg richting Marree. Je krijgt hier weer helemaal het outback gevoel. Tegenliggers kom je hier nauwelijks tegen en als de eerste zich aandient hangen we met z’n allen tegen de ramen. De eerste ‘attractie’ van de rit is de Dog Fence, een bijna 9000 km lang hek dat dient om de dingo weg te houden uit de zuid-oostelijkelijke staten. 
Aan de linkerhand Anna Creek Station, ‘no big deal, just a bit bigger than Holland’.
In William Creek, een gebied 2/3 van Nederland en een inwoneraantal van 12 personen,  arriveren we om 1 uur, tijd voor de lunch. Sauce gaat alleen met het eten aan de slag en laat ons de kroeg bekijken. Die is het aanzien meer dan waard. De eigenaar met een hap uit zijn hoed loopt heen en weer tussen de bar, het terras en de paarden en wat al niet meer. Een oude herdershond drentelt achter hem aan. De kroeg is behangen en beplakt met briefjes, foto’s, shirts, bh’s, shorts en slipjes, inmiddels wat grauwig van bezoekers uit alle windstreken. Aan de bar zitten twee mannen, ze horen ons praten en zeggen tegen elkaar: ‘they’re Dutch’.
We draaien ons om, ja, inderdaad. De ene man is Duitser van geboorte en woont nu in Amerika; als hij hoort dat wij uit West Friesland komen gaat hij een verhandeling beginnen over de geschiedenis van Oost-Friesland waar hij geboren is. Maar daar hebben wij helemaal geen zin in! Gelukkig komt zijn veel leukere vrouw binnen en haalt hem weg, zich naar ons verontschuldigend wat helemaal niet nodig is. Nog steeds kletsend wordt hij weggevoerd naar de bus voor de volgende excursie. Wij gaan eten. Op het terras lichte paniek. Het paard van de eigenaar is het terras opgelopen en wil alvast aan onze lunch begonnen. Grote hilariteit als de man met de hoed het paard niet meteen te pakken heeft. Maar hij blijft rustig en tenslotte leidt hij het paard naar de plek waar het hoort.
We doen ons tegoed aan de lunch van broodjes, salade, en tonijn en wapperen met de Aussie-wave de mee-etende vliegen weg. We vervolgen de hobbelige weg. Over heuveltjes, via plotselinge bochten, en langs borden met: ‘floodway’ ‘grid’ en ‘dip’. De hitte is verzengend op dit uur van de dag.
De weg door de outback rolt zich eindeloos voor ons uit. Al rijdend horen we de stenige ondergrond tegen de onderkant van de bus slaan alsof telkens iemand bierblikjes met kracht in elkaar stampt. Onderweg zien we polletjes roze en gele bloemetjes midden in de kale, woestenij. De liefhebbers (dus allemaal) stappen uit en maken foto’s van dit unieke gebeuren. Het is grappig te ontdekken dat daar waar niks is zo’n klein plantje je interesse kan wekken. Normaal zou je daar zo aan voorbij rijden.
Na Lake Eyre South arriveren we bij Marree, het ooit florerende stadje, uitvalsbasis voor reizen en expedities naar het noorden en waar de oude Ghan zijn eindstation had. Vanaf 1980, toen het treinstation werd opgeheven is het inwoneraantal gereduceerd tot 70 mensen. Een spookstad met een paar musea en afgedankte treinwagons maar de winkel is er eentje die alles heeft en een eigenaar die alles kan.
De tank wordt volgepompt met diesel en wij struinen de winkel af naar wijn, bier en chips voor vanavond op de camping. Bij het afrekenen nodigt de gezellig knauwende eigenaar zichzelf uit voor het feestje dat wij van plan zijn te geven. Om 7 uur komen we aan bij camping ‘Drovers’. We zijn de enigen die hier vannacht slapen. Er is een bescheiden receptiegebouw, een kook en eetverblijf en achterin het terrein het toiletgebouw met zelfs een douche. Maar er is ook een grasveldje waar we de tenten op kunnen zetten en de haringen in de grond kunnen slaan. Sandra heeft een cabin weten te bemachtigen en nodigt haar kamermaatje Ronella uit die luxe met haar te delen. Er is een woonkamer met t.v., 2 slaapkamers en een douche. Wij moeten met 2 vierkante meter van alle ongemakken voorziene slaap-én woonruimte toe. Maar wij doen niets liever! We gaan Sauce helpen met ‘vegies’ snijden. Broccoli, bloemkool en wortelen verdwijnen in stukjes in een mega pan. Samen met de rijst en de kip gaat het op een kampvuur om gaar te stoven.
Wij staan de zonsondergang te bewonderen bij het hek. De lucht kleurt van oranje naar rood en het is een spectaculair gezicht. Het is zo prachtig hier. Je blijft er naar kijken. Langzamerhand komen de eerste heldere sterren en planeten op. Daar is Venus, de meest heldere planeet. Later wordt Mars zichtbaar, herkenbaar aan zijn rode gloed. Bij het kampvuur trekken we de eerste flessen open en gaan in de hete gloed van het spetterende vuur afwachten tot het eten klaar is. Puur genieten!
Er is niemand die niet vol bewondering omhoog kijkt naar de sterrenhemel die hier zo schitterend is mede door het ontbreken van enig ander storend licht. Je ziet hier duizenden meer sterren dan in Nederland, het duizelt gewoon en je krijgt een pijnlijke nek van het omhoog staren. De Melkweg, hier ook duidelijk zichtbaar, is door de meeste van ons nog nooit gezien. Het Zuiderkruis hebben we nog niet ontdekt, die schijnt ’s morgens vroeg pas op te komen.
Eten doen we in de grote tent. We hebben honger en de pannen zijn in no time leeg.
Na de afwas ontdekken we dat de trailer een lekke band heeft. Onmiddellijk gaan Jan, Erik en Andreas met Sauce aan de slag om het wiel te verwisselen. De meiden gaan er op hun bank eens voor zitten om te zien of dat allemaal goed gaat en wie van de mannen de mooiste benen heeft. Al giechelend door de wijn worden er zelfs punten verleend voor de stevigste kuiten. We hebben weer ontzettend veel lol. Wat kan je genieten op een camping waar niks is en toch van alles heeft. Pas als je er bent geweest weet je hoe dit voelt.
We kletsen na tot een uur of 12 en zoeken dan onze weg onder de sterrenhemel naar de tent.
Dinsdag 21 oktober: Marree-Flinders Ranges, Wilpena Pound
Om half 6 opstaan. Lopend naar het toiletgebouw over een koude, doodstille camping. De zon komt op en ik maak nog snel even een foto. Marleen heeft al gedoucht en in het toiletgebouw staat Hanny te tandenpoetsen. De douche is primitief maar het water verrassend warm. Er staat een oranje plastic stoel voor je kleren en er hangt een badborstel. Deze plaats vinden we tot nog toe de leukste van allemaal. Gek maar waar.
Dan volgt het ritueel van tenten opbreken, slaapzakken oprollen (nou ja proppen) en ontbijten. We zitten om 7 uur alweer in de bus.  Eerst gaan we naar het stadje om een nieuwe band voor de trailer te halen. We hebben even de tijd en kijken uitgebreid in de winkel rond. De eigenaar zet koffie, hij heeft het er maar druk mee want hij moet ook nog onze band verwisselen zegt hij dus we houden onszelf wel op. Maar hij blijft vrolijk en is absoluut niet gestrest door die invasie van toeristen.
Om 8 uur stappen we weer in de bus op weg Lyndhurst en naar Talc Alf. Dat is een heel excentrieke oorspronkelijk Nederlandse man die hier een bestaan heeft opgebouwd en helemaal in zijn eigen wereldje leeft. De hond verwelkomt ons wildenthousiast en wil meteen spelen. Alf vindt het ook leuk om ons te zien. Hij maakt mooie beelden van zandsteen en aan iedere toerist die het maar wil horen legt hij zijn persoonlijke interpretatie van letters en woorden uit. Roep je naam en hij vertelt wat het betekent. Natuurlijk kan je je er kritisch over uitlaten maar daar is het de tijd en de plaats niet voor en Alf veel te aardig. Het is alleen al leuk om te zien en horen hoe hij op alles een antwoord heeft, het op een schoolbord krijt en het geschrevene vervolgens uitveegt met zijn arm. Helaas had hij geen pin voor onze tas. Naast dit alles staat hij ook wel met beide benen op de grond want twee dagen per week is hij postbode. Hij moet toch ook eten. En zijn hond ook.
Voordat we in het stadje Copley aankomen heeft Sauce ons al gewaarschuwd voor de superlekkere quandong-pie die ze daar verkopen.
Het meisje achter de balie noteert onze bestellingen en komt die later een voor een buiten brengen. ‘Who ordered a cappuccinooooooo???’ roept ze vrolijk bij de eerste maar ook bij de tiende keer. Wat een schat van een meid. Wij pakken de stoelen van het schaduwrijke terras en zetten ze op een rijtje in de zon. We genieten van de felle zon, de koffie en de heerlijke quandong-pie. Quandong is een vrucht die ze daar verbouwen. Ik zie een mandje met gedroogde vruchtjes op de toonbank staan en vraag of ik er eentje mee mag nemen. Natúúrlijk, roept ze en ze loopt direct naar achteren om ook nog een paar quandongnootjes voor me te pakken. Zo worden ze geplukt, zegt ze.
Dit is weer een erg leuke plaats. Zelfs de toiletten zijn leuk ingericht en de tuin aan de zijkant prachtig. Verderop in de straat zomaar een autosloperij stampvol schroot en een ouwe autobus. Een kaketoe schettert hoog in de boom, hij gaat in de houding zitten als ik de camera pak. 
Na een aantal uren rijden op de nog steeds onverharde weg komen de Flinders Ranges in zicht. Ze kleuren prachtig blauw-rozig in de middagzon. Veel dode kangoeroes langs de weg.
We stappen uit voor een kwartier en wat een bezienswaardigheid is dat: een passerende auto. En WOW! Wéér een auto! We zwaaien als idioten naar de bestuurders en staan te gieren van het lachen. Die mensen zijn niet wijs, zie je de chauffeurs denken. Dit doet de lege hete outback dus met je. Je hersenen worden langzaam maar zeker gestoofd en je gaat je een tikkeltje anders gedragen. Misschien worden we nooit meer normaal.
De chauffeurs zwaaien niet terug. Vast geen Australiërs.
In Angorichina, Flinders Ranges, gaan we lunchen. Er is een grote camping met huisjes en voor ons een picknickgelegenheid waar we samen met de vliegen onze wraps kunnen maken met sla en toebehoren. De vliegen vallen onmiddellijk aan op de tonijn. Als die op is komen ze voor het toetje bij jou en kruipen in alle gaatjes die ze maar kunnen vinden. Sandra eet en houdt tegelijkertijd haar vliegennetje op. Knap.
We vervolgen de weg naar Wilpena Pound. Het is een prachtig berggebied en we klimmen en dalen over hobbelige wegen. Af en toe moet de bus er flink moeite voor doen. De bergen (of liever heuvels) hebben aparte rondingen en doen prehistorisch aan. De kleuren zijn prachtig, variërend van bruin naar oker. Hier en daar geel bloeiende boompjes. Het is wonderlijk dat je in korte tijd in weer zo’n andere omgeving bent. Weer kijk je je ogen uit. We arriveren bij campground Wilpena. Wat een verschil met gisteren! Het is een heel grote camping met allerlei faciliteiten, veel groen en daartussen kampeerplekken, huisjes, en ruime plaatsen voor stacaravans. Het ziet er heel mooi uit maar sommigen verlangen stiekem terug naar Marree-de-camping-waar-niks-is. We gaan hier in de omgeving een wandeling maken. We trekken de nog rood stoffige wandelschoenen aan en we lopen met Sauce mee naar de plek waar we starten. ‘Homestead Hills’ heet de route van ongeveer 2 uur. Wat is het hier geweldig mooi. En wat een rust heerst hier in het bos. Zelfs de vogeltjes fluiten op bescheiden toon. Enorm hoge bomen en roodbruine rotsen torenen boven je uit, je moet je hoofd helemaal achterover gooien om de toppen te zien. Opeens is daar een grote vijver omzoomd door levensgrote varens en hoge bomen. We gaan er even zitten want het is een idyllisch plaatje. De zon, om een uur of vier al aan het zakken, filtert het licht door de bladeren, weerkaatst op de rotsen en geeft een mooi zacht effect.
We lopen omhoog naar het hoogste punt. Daar heb je een prachtig uitzicht op Wilpena Pound. Dit is een bijna cirkelvormige rotsformatie rondom een krater wat lijkt op een reusachtig natuurlijk amfitheater midden in de Flinders Ranges. De zon staat al vrij laag en dat geeft een aparte, beetje magische sfeer aan de omgeving. Verderop zien we een kangoeroe midden op het pad. Heel stil lopen we verder maar hij hupt het bos in. Als we later dit punt gepasseerd zijn en even achterom kijken zien we hem weer.   
Terugkomend op het beginpunt van de route is het al zes uur. Op de camping zetten we de tenten op maar wij, Andreas, Vanessa, Hanny en ik willen de laatste kampeernacht buiten slapen. Bij gebrek aan ‘swags’ besluiten we om gewoon in onze dikke slaapzak-met-capuchon op het slaapmatje te gaan liggen. De tent zetten we voor alle zekerheid op, als we veel ongedierte over ons heen voelen kruipen bijvoorbeeld. Anderen willen het gemak van een cabin, die liggen een eindje verder op het terrein. Er is bijna een kaart voor nodig om er zonder te verdwalen te komen. We gaan douchen en dan naar het restaurant om te eten; het ligt nogal verscholen tussen de bomen maar op de heenweg in de schemer kunnen we het makkelijk vinden. Op het gras voor het restaurant zitten twee kangoeroes. Je kan er heel dichtbij komen en nog huppen ze niet weg. Wat jammer dat het bijna donker is, mijn foto’s lukken niet. Een donkere omgeving met twee lichte stippen. Binnen moeten we het eten bij de bar bestellen, betalen en een tafelnummer meenemen.
Hanny en Ronella nemen een chocolademelk met likeur. En nóg een. Daar krijgen ze allebei een apart glaasje bij omdat de barman (hip met een sikje) hen zo leuk vindt. Giechelend roepen ze Sauce want nog meer likeur en ze kunnen de weg naar huis niet meer vinden. Sauce houdt best van likeur en slaat ze achter elkaar achterover. Thanks mate.
We gaan als laatste met z’n vijven terug naar de camping. We kunnen nauwelijks de weg terug vinden in het donker. Ja echt donker zonder een fatsoenlijke lantaarnpaal. Anders super mooi maar nu wensen we een beetje licht. De een denkt rechtsaf te moeten, de ander weet zéker dat we links moeten. De door de wijn wat traag werkende rechterhersenhelft leidt ons naar een duistere uithoek. De linkerhersenhelft weet meteen: dit is niet goed en voert ons naar de veilige camping. Tandenpoetsen, extra warme trui en lange sportbroek aan en in de slaapzak. Andreas komt er ook bij en eindelijk liggen we daar dan met z’n vieren. Naar boven kijkend naar de mooie sterrenhemel waar we van alles in ontdekken. Veel vallende sterren. We doen heel veel wensen vannacht. Af en toe wakkert de wind aan en het is vrij koud. Maar de slaapzak is heerlijk warm en we kunnen de capuchon helemaal aansnoeren. We lijken zo net patroesjka-poppetjes. Omdraaien gaat nu wel wat moeilijk.
Hanny ziet een man liggen op de bank bij de gezamenlijke tent. Wij zien zonder bril en lenzen een slordige hoop op een bank. We kunnen net onder de bus doorkijken en ja zeg. Daar ligt Kees. We denken dat hij de weg niet heeft weten te vinden naar de cabins. Maar daar buiten raakt hij onderkoeld want hij ligt in z’n shirt. Vanessa gaat naar hem toe en biedt hem onze tent aan die toch leegstaat. Ook krijgt hij onze slaaplakens en een handdoek. De rest van de nacht is het lachen en we doen op een paar hazenslaapjes na haast geen oog dicht. Andreas heeft zijn oordopjes in en is allang in slaap.
Hij heeft alle lol gemist.
Woensdag 22 oktober: van outback naar stad……geen groter contrast…….
Toch hebben we geslapen tot 6 uur. De sterren vervagen en om half 7 staan we op om ontbijt te maken. Heerlijk, hete thee en geroosterd brood. Vanessa heeft het vannacht koud gehad. Voor de laatste keer eten we zo samen want hierna logeren we in hotels. Helaas.
Wij zijn trots op ons buiten-slaap-avontuur. Maar in de voorthobbelende bus vallen al snel de ogen dicht. Ja, alles heeft zijn prijs. Vandaag verlaten we de outback en komen vanmiddag aan in de grote stad Adelaide. Maar eerst rijden we terug naar beneden en door de schitterende Flinders Ranges en de rand van de krater die er ’s morgens weer anders uitzien. We stoppen nog even om uitgebreid foto’s te maken van de golvende rand van Wilpena Pound. Dan mogen we lekker zitten in de bus en genieten van het landschap dat ook hier langzamerhand weer anders wordt. De ruige donkere rotsformaties maken plaats voor vriendelijke golvende heuvels. Om half 10 stoppen we in Quorn voor koffie en thee. Dit is weer zo’n Coopers Crossing plaatsje met lange brede wegen, winkels en trottoirs met overkappingen en het hotel van Vic en Nancy met twee verdiepingen en fraaie veranda’s. Het eerste café is gesloten maar we vinden een goede tweede. We stappen binnen bij ‘Quandong café’ en zijn niet meer in Australië. Het interieur van grote gestreepte banken, bloemetjesstoelen op de krakende houten vloer en kleedjes op de tafels doen perfect Engels aan. De vrouwen achter de toonbank zijn echter onvervalst Australisch en nemen heel vriendelijk onze bestelling op. Komen jullie uit Holland? Ja hoe raadt u het.
We willen allemaal cappuccino en thee en proberen een kruimeltaartje met dadels en rozijnen. De keuze is moeilijk want er staat zoveel lekkers in de vitrine. Iedereen kiest weer iets anders. We zitten hier heel genoeglijk maar gaan ook even in het stadje rondlopen. De openbare toiletten zijn 200 meter verderop, heel apart.
De wegen waarop we nu rijden zijn weer geasfalteerd. We passeren verschillende stadjes zoals Wilmington en Melrose. We komen steeds meer in bewoonde gebieden. Adelaide is nog maar 269 ka’s away. We zien enorme graanvelden, verdeeld over langgerekte heuvels. Af en toe een home-stead.
’s Middags komen we in het gebied van de wijngaarden en rijden door het lieflijke landschap van Clare Valley. Het doet Duits aan en dat klopt ook want dit gebied is ontwikkeld door Duitse immigranten. 
In ‘Sevenhill’ een stadje, gesticht in 1848 door Jezuïeten, gaan we wijnproeven, het leuke winkeltje bekijken en uiteraard iets kopen. We staan met een groep op de lange regel voor de toonbank en proeven fles na fles. We kopen er eentje met z’n drieën.
Terug in de bus eist de wijn, gecombineerd met de bijna slapeloze nacht, zijn tol.
Rond 5 uur komen we bij de voorsteden van Adelaide. Het rijden op een drukke vierbaansweg zijn we absoluut niet meer gewend en we voelen ons hier echt niet prettig.
De overgang is té groot. Ik voel een akelige knoop van heimwee in mijn buik.
Sauce praat over excursies die we de komende dagen kunnen gaan doen maar we reageren er nauwelijks op. Zelfs in ‘pokies’ hebben we geen zin. Zijn jullie moe, vraagt hij. Ja, dat ook. Maar vooral willen we maar één ding en dat is: TERUG!!!!
Terug naar de outback, dat willen we. De bus wil echter vooruit.
We logeren in het Paringa motel midden in het centrum van de stad. We hebben een grote gezellige kamer met drie bedden, keus genoeg dus, om vannacht in te slapen. 
We geven toe, het is best weer lekker om ruimte te hebben voor je spullen, uitgebreid te douchen en t.v. te kijken op je bed.
We gaan met de hele groep eten bij Hindley Pasta Palace, een Italiaans restaurant vlakbij het hotel. Sauce heeft gereserveerd en we kunnen met z’n allen aan een grote tafel.
De eigenaar verwelkomt ons enthousiast als oude vrienden. De serveerster is één bonk adrenaline; ze rent heen en weer, roept op alles ‘NO WÓRRIÉS!’ en blijft de hele avond lachen. Geweldig eten komt daarbij en wij hebben een fantastische avond. Veel proberen de verschillende soorten pasta; ik ga het kangoeroevlees proberen, nou dat is voortreffelijk.
We nemen wijn uit Barossa Valley en V(ictoria)B(itter) om alles weg te spoelen.
Als we na het eten naar het hotel lopen is het nog druk op straat. Bij de buren speelt Men at work ‘Down Under’. Hoe toepasselijk. Het is hier toch leuker dan we dachten.
Op het nieuws zien we dat het sneeuwt in de Blue Mountains.
Donderdag 23 oktober: Adelaide – McLeod’s kijkje
We kunnen vandaag lekker uitslapen tot half 9. 
Ontbijten doen we voor het hotel op het terras waar een paar mensen van de groep al zitten te eten. Tosti en koffie eten we in alle rust en kletsen gezellig met de anderen. Wat een leuke manier om de dag te beginnen! Dan sturen we een lange mail naar huis.
’s Middags pakken we met Ben en Hanny de metro om naar Gawler te reizen, we willen een kijkje willen nemen in het gebied waar de t.v. serie ‘McLeod’s Daughters’ is opgenomen. Onderweg spreekt een Nederlands sprekende vrouw ons aan en we hebben een heel leuk gesprek. Zij is op haar 7e jaar geëmigreerd.
In Gawler aangekomen lopen we in de hitte van de middag naar het visitorscentre. Daar vragen we een oudere mevrouw hoe we bij het Gungallan (nu Railway) hotel kunnen komen. Uiteindelijk begrijpen we dat het bewuste hotel niet in Gawler is maar in Freeling en we daar niet zomaar heen kunnen zonder auto. Er rijdt geen bus of trein naar toe. Het is heel jammer maar we moeten genoegen nemen met wat kaarten van ‘Drovers Run’. Ik reken af bij een wat jongere mevrouw en ik vertel dat we best teleurgesteld zijn. Zij is wat beter bij de les en weet meteen wat we bedoelen.
‘Als jullie straks hier de hoofdstraat uitlopen zie je een stomerij en daar hangt de trouwjurk van Stevie in de etalage’. Wij zijn weer helemaal gelukkig door dat onverwachte extraatje en bedanken haar uitvoerig. Inderdaad, we naderen de stomerij en zien de jurk hangen. Hij is prachtig, wit, van voor een paarse rand en van achteren een paars gevlochten baan. Aaaahhhhhh. We stappen brutaal naar binnen en vragen een medewerkster of we een foto mogen maken. Maar natúúrlijk, zegt ze. Ze vertelt hoe de jurk hier verzeild is geraakt. Onze dag is goed. We hebben in een niet nader aan te duiden plaats (beloofd is beloofd!) een unieke foto gemaakt waar wij het originele Drovers Run bord vasthouden.
De metro brengt ons terug naar het station in Adelaide. Al kletsend willen we het poortje naar de uitgang passeren maar dom dom, we zijn vergeten op de terugreis de kaartjes af te stempelen. De beveiligingsman stuurt ons door naar de andere kant van het perron waar kneuzen als wij afgehandeld worden. De man lacht ons een beetje meewarig toe, je ziet hem denken: ‘toeristen, zucht’. We verontschuldigen ons en zeggen dat we héél erg dom zijn geweest etc. etc. ‘Ach’, zegt de man met een grijns,’het kost jullie slechts 1000 dollar’.
En galant opent hij het poortje.
We eten ’s avonds weer met z’n allen bij Pasta Palace. Sauce komt even langs om te kijken hoe wij het maken. We vertellen elkaar hoe we de dag hebben doorgebracht. Ronella, Sharon, Andreas en Kees zijn vanmorgen al vroeg vertrokken om tussen dolfijnen te zwemmen. Omdat ze daar in het ‘wild’ zwemmen mocht je ze niet aanraken maar het was toch een heel bijzondere ervaring. Anderen hebben uitgebreid de stad verkend en lekker geshopt.
Vrijdag 24 oktober: Adelaide-Robe
Zeven uur gaat de wekker. We pakken de tassen in en lopen naar de overkant voor een take-away broodje bij ‘Subway’.
All Dutchies aboard? vraagt Sauce zoals iedere morgen.
Rijdend door de Adelaide Hills moeten we onwillekeurig denken aan de heuvels van Zuid-Engeland. Maar nee, niet vergelijken mam, zegt Vanessa, en daar heeft ze volkomen gelijk in.
Want dit is Australië.
We parkeren de bus in Hahndorf, een van oorsprong Duits stadje en dat zie je aan de vele vakwerkhuizen. In anderhalf uur verkennen we het plaatsje. Vanessa en Sharon lopen met grote koop-ogen een tijdlang te wikken en te wegen over wat ze niet zullen kopen. Hier is de eigenares ook weer zeer vriendelijk en geduldig. Glimlachend pakt ze de aankopen in.
Zoals in veel eetcafeetjes in de zuidelijke staten kan je ook hier in een eetcafeetje je eigen sandwich samenstellen. Je kunt kiezen uit sla, wortel, komkommer, kip, ham en kaas etc. met of zonder mayonaise. Verderop in de straat willen we een take-away koffie halen. Daar staat op de toonbank een kaart met ‘Trini’s Dutch Menu’ zoals patat mét; broodje kroket; saucijzenbroodje; frikandel speciaal en koffie met gevulde koek of een stroopwafel. ‘Jawel’, antwoordt de vriendelijke mevrouw op onze vraag, ‘ik kom uit Nederland en woon hier al 34 jaar.
Verbeeld ik me het maar of smaakt de door haar gemaakt ‘flat white coffee’ anders, zelfs lékkerder dan anders?
We stappen weer in de bus en we rijden via de Princess Highway richting Murray River die we via de pont oversteken. Wie heeft in vredesnaam al die zakken snoep gekocht die de ronde doen? Het is wel allemaal heerlijk.
Het landschap verandert van heuvelachtig in vlak land met uitgestrekte weidegebieden en hier en daar opgerolde hooibalen, windmolens en bijbehorende watertanks. Aan de brievenbussen langs de weg zien we dat hier ook mensen wonen. Een enkele keer is een huis te zien tussen de bomen.
We rijden over een tamelijk hobbelige weg. Dan is daar ineens de Indische Oceaan. Je ziet in een flits het prachtige blauwe water, dan een strook groen en dan is daar plotseling weer de oceaan met kleine eilandjes in het midden.
Na een uur stappen we uit bij een duingebied. De duinen zijn steil, we lopen omhoog en ik denk: het lijkt Schoorl wel. (sorry, kan het niet laten) Boven op de heuvel hebben we een schitterend uitzicht op een eindeloze zee die zich vandaag van zijn beste kant laat zien. Azuurblauw water, hagelwit strand en….geen mens te bekennen! Is dit een droom. Nee, dit is Australië. We blijven hier een uur lekker plonzen in het water en schelpen zoeken die je hier in overvloed kan vinden, de een nog mooier dan de ander. Ze hebben de glans van parelmoer in kleuren variërend van rozig naar rood, roomwit naar koffie verkeerd, oranje en paars. Als ze opdrogen in je hand voelen ze zijdezacht aan. Wat een idyllisch plaatje is dit als je zo rondkijkt. Iedereen ziet er zo tevreden uit.
Dan is het tijd om verder te gaan. Nog even naar het toilet, ja dat is hier beneden aan de duinen ook. Weliswaar een kaal gebouw met daarin simpelweg een soort ‘plee’, maar het voldoet en daarna kan je buiten ook je handen wassen.
Na een uur rijden kondigt Sauce aan te gaan tanken. Wij mogen even bij Larry kijken. Larry the lobster. Na een uur komen we aan in Robe. Het is een aangenaam stadje aan de kust met mooie huizen en prachtige kleurrijke tuinen. We rijden het stadje door naar de rotskust en parkeren bijna op de rand van de kliffen.
Alweer een uitzicht om stil van te worden. En weer een compleet ander kustgebied. Het is ruig hier, de bodem is rotsachtig, een soort kalksteen. Je mag niet te dicht bij de rand want het kan afbrokkelen. Beneden beukt de zee op de hoge kliffen. Opeens zien we het stuk rots in zee met daarin een opening dat de vorm van Australië heeft. Ooit gezien in een boek maar de locatie vergeten. En nu kijken we er onverwacht zo op neer. We zouden hier een kwartier blijven maar het wordt een uur. We lopen langs het pad naar boven waar je weer een ander mooi uitzicht hebt op de baai aan de ene en het stadje Robe aan de andere kant.
Met moeite stappen we weer in de bus en komen even later aan bij het motel voor vannacht. Echt een motel uit een film. Het ziet er vanbinnen ook heel leuk uit. Bedden keurig opgemaakt met lakens en een deken, zo strak dat je je er nauwelijks in kan wurmen. We maken een kop thee en koffie en gaan dan bij de anderen op het terras zitten. Eerst een biertje en wijn en dan eten in het restaurant. We zitten aan drie verschillende tafels, maar iedereen heeft het gezellig en we hebben erg veel lol. Vanessa heeft niet zo’n honger en vraagt naar een kindermenu. ‘Mevrouw, bent u onder de 12 jaar?’ reageert de serveerster cynisch. Vanessa probeert zich nog klein te maken maar helaas.
Iedereen lijkt moe vanavond dus we gaan vroeg naar onze kamers.
Morgen moeten we alweer vroeg op. Gek dat we dat helemaal niet erg vinden.
Zaterdag 25 oktober: Robe-Warrnambool
Vanmorgen gaat de wekker om 06.30. Het is koud! Na het ontbijt in het restaurant vertrekken we voor wat een rustige reisdag zal worden want we hoeven slechts 315 km af te leggen. We rijden relaxed langs mooie golvende lappendekens van groen gras, graan en koolzaadvelden. Kudden merinosschapen, de ene nog lekker dik in de wollen jas en de andere al kaalgeschoren en zielig magertjes.  In Mount Gambier stoppen we voor koffie en laten alvast een broodje maken voor de lunch. Bijzonder mooi is Blue Lake, een vulkanisch kratermeer. De kleur is groenblauwig vandaag maar dat komt omdat de zon het een beetje laat afweten. We passeren de grens en zijn nu in de staat Victoria; de klok gaat een halfuur vooruit. Een deel van de groep gaat de Princess Margareth Rose caves bezichtigen. Wij gaan met z’n vieren een wandeling door het national park maken naar het  uitkijkpunt waar beneden ons de rivier stroomt. De zon is intussen tevoorschijn gekomen en we kunnen de vesten in de tas doen. Op de afgesproken tijd zijn we allemaal bij het beginpunt en we vervolgen de reis naar het strand waar, zoals Sauce meent, de ‘Dutchies’ zo dol op zijn. We kunnen er zwemmen of met een bootje naar de zeeleeuwen kijken. De ene helft gaat met de boot mee en de anderen blijven op het terras van Bridgewater Beach. Wij drinken op ons gemak koffie op het terras, krabbelen wat in het schrift, maken foto’s en lopen langs het eindeloze strand. Anderen maken een stevige wandeling naar de andere kant van de baai.
De golven aan dit strand zijn geweldig mooi; kleurend van groen naar blauw met witte brekers en als je je in de branding waagt voel je de krachtige stroming aan je benen trekken. Het uitzicht is prachtig en je bent hier bijna alleen, zo onvoorstelbaar. Vanaf dit punt is het één grote watermassa tot aan Antarctica.  We blijven hier een paar uur, het is een heerlijke plek. De anderen komen ook enthousiast van de boottocht terug, de zeeleeuwen waren indrukwekkend en ze konden ze van heel dichtbij bewonderen.
We laten Bridgewater achter ons en rijden weer verder langs de uitgestrekte velden en we zien hier en daar landhuizen waar wij wel een tijdje in zouden willen wonen. In de namiddag zet Sauce de bus aan de kant bij de rand van een bos. Hier schijnen veel koala’s te zijn. We lopen door het bos en zien een paar emoes rondscharrelen. Helaas….geen koala’s. Daar tussen de bomen kunnen we nét een kleine wallaby onderscheiden. Dan roept iemand: koala in de boom! We rennen er allemaal heen en daar zit er eentje, onze aller-aller eerste koala, heel hoog in de boom. Hij zit daar doodstil met de ogen dicht. Maar wat is ie prachtig. We kunnen niet ophouden met foto’s maken. De koala hangt erbij als een vermoeid fotomodel en verroert zich niet.
Terug in de bus denken we rechtstreeks naar het motel te rijden maar Sauce heeft nog iets moois in petto, het Tower Hill Reserve. We slaan linksaf en rijden door een prachtig gebied met dichtbegroeide heuvels via smalle weggetjes naar boven.
Lopend gaan we verder over een aantal steile vlonderpaden die in verschillende etappes omhoog leiden naar schitterende uitkijkpunten. Daar lopen konijntjes. Het sterft ervan in Australië maar dit zijn echt de eerste die we zien. Op het hoogste punt bij een pleintje met in het midden een groot rotsblok van vulkanisch gesteente, is het uitzicht fantastisch mooi. Je kijkt uit over groene valleien, enorme bomen, meertjes en vennetjes en ontdekken heel in de verte daar beneden twee kangoeroes.
Pas om 7 uur arriveren we in Warrnambool, een lief stadje en een leuk motel met heel aardige mensen. Snel douchen en dan eten in een enorm buffetrestaurant waar je je voor 14 dollar helemaal ongans kan eten. Het is zaterdagavond en enorm druk, na het pittoreske Tower Hill reserve is deze herrie wel een enorm contrast. We zitten aan één lange tafel. We gaan braaf in de rij staan voor het buffet waar van alles te krijgen is en je je bord kan volstouwen met voor, hoofd en nagerechten.
Het eten is lekker en de wijn en VB smaakt naar meer.
Alweer gaan we vroeg naar het motel terug. Even relaxen op bed en de t.v. aan voor het nieuws.
Zondag 26 oktober Warrnambool-Great Ocean Road-Melbourne
Vandaag is de dag van de Great Ocean Road. We zijn een beetje teleurgesteld als we ’s morgens om 06.30 de gordijnen open doen want het is bewolkt. En koud. We ontbijten bij MacDonald’s aan de overkant, er is van alles te krijgen. De halve groep zit er al aan de koffie en de eieren met spek. Wij nemen yoghurt met muesli, die is hier heerlijk. We vertrekken om 8 uur.
De Great Ocean Road, een van de mooiste kustroutes ter wereld, is aangelegd tussen 1919 en 1932 door oud-soldaten uit de 1e wereldoorlog als eerbetoon aan de gevallen kameraden maar diende ook als een soort werkverschaffing. De 300 km lange weg voert langs ruige kustgebieden en lieflijke badplaatsjes met idyllische stranden aan de ene kant en als contrast golvend groen land aan de andere kant.
Alles wat we vandaag zien overtreft al onze verwachtingen. We stoppen bij ieder mooi punt en dat zijn er nogal wat. We lopen bij iedere bezienswaardigheid via een aantal trappen en paden naar verschillende uitkijkpunten. Het ene nog overweldigender dan het andere.
Je staat daar en vergaapt je aan die enorme blokken kalksteen, de strandjes, het kolkende water, de bulderende branding en de ein-de-loze diepblauwe oceaan. 
‘Heb je dit vandaag al gedaan?’ vraagt Andreas. En hij knijpt Vanessa in haar arm.
We zien beneden ons de rotsen en de zee die er tegenaan schuurt. Door de jaren heen knabbelt het water steeds stukjes kalksteen van de rotsen. Zo kon het gebeuren dat in de jaren negentig een stel zich stond te vergapen op een stuk rots wat ‘London Bridge’ genoemd wordt en toe moest kijken hoe een deel van de ‘bridge’ plotseling instortte en zij daar met z’n tweeën op het resterende stuk rots achterbleven. Ze beleefden daar een romantisch weekendje alvorens ze gered werden.
Hun echte partners waren niet blij.
We verbazen ons over het feit dat je hier niet struikelt over de toeristen. Wij zijn meestal de enige groep die hier rondloopt.
Verderop is het verraderlijke deel van de kust waar heel veel scheepswrakken liggen, de ‘Loch Ard’ waarvan 2 jonge mensen de ramp overleefden, is een van de bekendste. Het strandje ziet er vanaf hierboven uit alsof niemand er ooit komt zonnebaden.
Dan komen we bij Port Campbell waar de 12 (inmiddels nog maar 8) apostelen als grote majestueuze rotsformaties boven het water uitsteken. Helemaal beneden bij een rots zien we kleine zwart-witte figuurtjes. Zijn het pinguïns. Of alken? Ze zitten met de rug naar ons toe en we kunnen het zelfs met ingezoomde camera niet goed zien. (eenmaal thuis hoor ik van een ‘expert’ dat het gewoon aalscholvers zijn, hè jammer).
Een deel van de groep maakt een helikoptervlucht waar ze dit moois vanuit de lucht kunnen bekijken. Een geweldige ervaring voor iedereen.
We verlaten de kustweg en bezoeken daarna een regenwoud waar we een wandeling maken tussen bomen waarvan de toppen zo hoog zijn dat je er bijna bij moet gaan liggen om ze in z’n geheel te bekijken. Heel breed zijn ze ook, met holen waar je met z’n tweeën makkelijk in past. Ook overal gigantische varens waarvan de opgerolde knoppen op openbarsten staan. Salamandertjes schieten over boomstronken. Het zonlicht wordt gefilterd door het bladerendek. Het is hier zo groen, donker en stil dat je je alweer in een andere wereld waant. In een ander park hebben we een verrassende ontmoeting met een troepje kleurrijke papegaaien. We krijgen voer op onze hand en als op commando komen ze aanvliegen, en landen zó op je hand of je hoed of op allebei tegelijk. We vinden het allemaal geweldig en heel erg grappig zo tam als die beesten zijn. De wat schuwere wit gele kuifkaketoes zijn van een ander slag. Valse krengen zijn ‘t eigenlijk. Ze zitten mooi op het gras en pikken de gevallen zaadjes op maar als je ze uit je hand laat eten nemen ze gelijk een stuk huid mee. Niet doen dus.
Het pad aflopend ontdekken we een paar koala’s in de eucalyptusbomen. Ze bewegen om ons een plezier te doen af en toe een arm of poot en slapen weer verder.
Frank heeft een kookaburra ontdekt, hij zit daar op een hoogspanningskabel. We lopen er naartoe en zien het beestje in volle glorie. De camera haalt hem dichterbij; je ziet aan zijn stevige brede spitstoelopende snavel dat het een viseter is. Zijn bruin met witte verenpak is vrij dik, de bruine oogschaduw geeft hem een droevige blik.
Hij laat zich uitgebreid fotograferen en als we na een halfuur in de bus voorbij rijden zit hij nog steeds daar op die kabel. Alsof iemand hem heeft opgezet en vervolgens daar speciaal voor de toeristen heeft neergeplant.
We pakken de Great Ocean Road weer op en rijden met de muziek van de Beach Boys op de cd speler het laatste gedeelte over een tweebaansweg met ontelbare haarspeldbochten met na iedere bocht weer een ander fantastisch uitzicht. Hoge rotsen aan je linkerkant, rechts in de diepte een blauwgroene zee en witte stranden. De zon is weer volop aanwezig en maakt alles 10 keer zo mooi. We passeren kleine badplaatsen met soms prachtige huizen, zo tegen de rotswanden aangeplakt. Een eenzame fietser trotseert de hitte en de hellingen.
Door de talloze bochten worden sommigen misselijk en ze zijn blij dat we er bij Bell’s Beach uit mogen. Dit strand heeft de eer een van de beste surfstranden ter wereld te zijn. Zelfs de cast en crew van de film Point Break kwamen op deze locatie filmen omdat de golven in de USA niet spectaculair genoeg waren. Wat is dat toch, als wij ergens komen is datgene waar wij voor komen er anders áltijd maar nu éven niet. Vol verwachting rennen we naar boven om dan van bovenaf neer te kijken op een strand met een sneu aandoend golfslagje.
Toch is het mooi hier, werkelijk waar. En we zeggen tegen elkaar hoe prachtig deze dag weer was en dat we nog láng niet naar huis willen. Iedereen is geraakt door dit schitterende land. Ook Henny is helemaal om.
Dan verlaten we de kustweg en rijden we het laatste stuk over de M1 naar Melbourne. Daar komt de skyline van de stad in zicht, we passeren de brug terwijl de zon zijn laatste gouden stralen over de Yarra rivier werpt. Beneden ons een enorme haven en industriegebied.
Het Miami hotel staat in een rustige buitenwijk van de stad. We krijgen de sleutelkaarten en sjouwen de steeds zwaarder wordende tassen naar boven.
’s Avonds eten we met een groot deel van de groep bij een nabij gelegen restaurant in Victoriastreet. Bij een biertje en een paar flessen wijn zitten we heel gezellig te kletsen en te eten tot een uur of 11. We krijgen langzaamaan het vermoeden dat 11 uur hier bedtijd is; als we nog koffie willen krijgen we te  horen: ‘sorry, de koffiemachine is al schoongemaakt’. Als even later de stoelen op de tafels worden gezet weten we zeker dat dit ’afrekenen en opzouten’ betekent.
Maandag 27 oktober: Melbourne, regen en shop ‘till you drop
We hebben geslapen als een ‘log’. Ik schuif de gordijnen op een kiertje: gelukkig, blauwe lucht. We blijven nog een uurtje liggen, gaan dan douchen en trekken de zomeroutfit aan.
Maar eenmaal beneden in de lobby zien we dat het regent. Inderdaad klopt het dat het weer in deze streek heel snel kan veranderen.
Het is bijna middag als we eindelijk gaan eten. In ‘the Hot Poppy’ zitten we al snel aan de thee met een croissant ham kaas en yoghurt met honing.
Vandaag gaan we de stad verkennen en shoppen. Er zijn heel veel leuke winkeltjes in de Victoriamarket en om de hoek lopen we een winkel binnen die stampvol kerstspullen staat.
We zien hier opvallend genoeg geen enkele aboriginal, wel heel veel mensen van Aziatische afkomst. Er zijn enorm veel souvenirwinkels en eettentjes in Chinatown.
’s Middags zitten we in het centrum op de trappen van het museum en kijken links op de kathedraal en vooruit op de historische gevel van het stationsgebouw. Het weer is opgeklaard en we zitten heerlijk in de zon. We lopen over de Flinders Street naar Fitzroy Gardens waar Cook’s Cottage staat, het geboortehuis van James Cook dat uit Yorkshire naar hier verplaatst is. Zijn standbeeld staat prominent in de achtertuin.
Het huisje staat midden in een mooi park en het is hier heerlijk rustig na de stadsdrukte. We lopen een tijdje rond, bewonderen de bloemen en de soms heel oude bomen.
Op het einde van de middag lopen we het hele stuk terug naar het hotel.
Wat is het druk in de stad! De verkeerslichten zijn ontelbaar als je ze achter elkaar moet oversteken, massa’s mensen in sombere kleding steken met ons over en na een uur zijn we het meer dan zat.
We zijn gewoon niet meer gewend aan een grote stad.
In de internetruimte van het hotel sturen we een lange mail naar huis.
Sandra heeft voor vanavond een leuk Italiaans restaurantje gevonden. Het heet ‘Amiconi’ en is hier vlakbij, nog geen 5 minuten lopen. Gelukkig want ik heb vandaag genoeg gelopen.
Wij komen met bijna de hele groep bij de Italiaan. Het ziet er knus uit, helaas is het ook vrij klein en met hier en daar een plaatsje vrij moeten we de groep in 3en delen en kunnen we niet bij elkaar zitten. Er wordt met stoelen en tafels geschoven en dan kunnen we eten. Het is allemaal heerlijk. Het schaaltje zwarte olijven wordt zó leeggegeten. Ze druipen van de olie, zálig. Andreas maakt zijn tweeduizendste foto in deze vakantie en weer van zijn eten, een bord met spaghetti-tagliatella-ravioli. Het is zijn eerste voedsel van vandaag en het gaat tot de laatste spetter saus op.
De supersterke koffie met amaretto, geserveerd in een espressokopje, bevat meer amaretto dan koffie. Het stuitert in m’n maag.
Iedereen heeft vandaag zijn dag weer op een andere manier ingevuld.
Een paar mensen zijn naar de hoogste verdieping van de ‘Eureka’ tower geweest om het fantastische uitzicht over de stad te bewonderen. Je kon als je stoer bent of doet alsof, daarboven ook in de uitschuifbare glazen box gaan staan om een duizelingwekkende 300 meter naar beneden te kijken. Het idee alleen al.
Om een uur of 11 zijn we weer terug in het hotel waar we giebelend door de gang via de glazen klapdeuren (push or pull) bij onze kamer aankomen. Ik pak de sleutel uit m’n tas maar dan trekt Vanessa de deur open en roept:
‘Wat ben je láát, waar blééf je nou!’
Sorry mama.
Dinsdag 28 oktober: Melbourne-Beechworth
Het muziekje van de mobiele telefoon wekt ons om half 7. We hebben weer heerlijk geslapen en we liggen zo ’s morgens vroeg nog wel erg lekker in het heerlijk zacht verende bed.
Na het gisteren gereserveerde ontbijt in het restaurant wat op een kantine lijkt, stappen we in de bus. De trailer had vanmorgen weer een lekke band die door Jan vakkundig werd verwisseld.
Vandaag is de eindbestemming het goudzoekerstadje Beechworth. Een kleine afstand voor Australische begrippen, slechts 290 km. Ik val vanmorgen een beetje uit de toon in mijn korte broek op deze koude ochtend maar nu breekt de zon door en de anderen stropen de pijpen op of ritsen delen van hun broek af.
We rijden over de M31, de Hume Freeway, langs groene heuvels vol schaapskudden en weilanden met koeien naar de eerste stopplaats, Seven Creeks, bij een klein plaatsje Euroa waar we koffie halen en ahhh, bij de bakkerij hebben ze lamingtons! Geen idee hoe ze smaken maar in t.v. series schijnen ze een nationale lekkernij te zijn en worden ze in de outback door alle vrouwen thuis gebakken, de een nog lekkerder dan de ander. Dus wij nemen een lamington, een roze vierkant stuk cake met kokos en jam. Aan de overkant ploffen we op een terras waar we in de zon kunnen zitten.
We hebben er niets besteld maar Australische horecaondernemers doen er absoluut niet moeilijk over als je bij de buren iets koopt om het vervolgens bij hen op het terras te gaan opeten. De lamington is verrukkelijk. De eerste kennismaking met een redback spider scoort minder hoog.
Weer in de bus kijken wij, maar Jan in ’t bijzonder, onze ogen uit naar de geweldig mooie roadtrains die hier op de Hume Freeway op je af komen denderen. Ze stralen een enorme stoerheid uit en zijn in niets te vergelijken met de simpele, gestroomlijnde vrachtwagens in Europa.
We maken ook kennis met het stadje Glenrowan en zijn beroemdste inwoner Ned Kelly, een beruchte struikrover en moordenaar uit de 19e eeuw. Hier was de plek waar hij en zijn bende, gehuld in ijzeren harnassen, in het nauw gedreven werden en tenslotte gevangen genomen en opgehangen. Voor veel Australiërs was hij een nationale held vanwege zijn verzet tegen de koloniale autoriteiten.
In de hoofdstraat van het stadje staat een levensgroot en dominant wangedrocht van deze boef, het gezicht verborgen achter het ijzeren masker en een geweer in de aanslag. Er is ook een bezoekerscentrum met een museum waar we even rondkijken en teruggaan in de tijd waarin Ned Kelly en zijn familie leefden.
De ‘show’ is helaas gesloten maar de souvenirwinkel is open. Daar komen we ook van alles tegen over Ned, van ansichtkaarten tot puntenslijpers in de vorm van een pistool. Achter de toonbank zit een levensechte magere pop, met een bleek gezicht en een lange grijze baard zo uit 1880 weg gestapt. Als ik nog eens kijk lijkt de pop te bewegen. Hij gaat zelfs staan.
Tenslotte stapt hij achter de toonbank vandaan en gaat ook nog een klant helpen. Als we de winkel lichtelijk verontrust uitsluipen roept hij ons vriendelijk gedag. 
Buiten schijnt de zon fel, we gaan lekker op een bankje zitten terwijl de grote Ned op ons neerkijkt. Na een uur dirigeert Sauce ons de bus weer in.
De route is mooi, aan weerszijden bergen in de verte, de Victorian Alps doemen als een blauw waas aan de rechterkant op.
Bij ‘Woolshed Falls’, nee, Hanny, niet: ‘Bullshit Falls!’ wordt de bus in het park aan de kant gezet. We kunnen een aantal paden volgen; eentje voert omhoog waar je van bovenaf op de  waterval neerkijkt. Een bord meldt: ‘Slippery rocks’.
Een ander pad gaat over grote rotsen tot je beneden komt en tenslotte op de waterval neerkijkt. Veel kleine stroompjes leiden er via de rotsspleten naartoe. We zitten en liggen verspreid over de rotsen en genieten volop van de prachtige natuur, het rustgevende gekletter van het water en de brandende zon. We houden het hier wel een uur uit met de benen in het koele water. Sauce had er een kwartier voor uitgetrokken maar wanneer hij ziet hoe wij het naar ons zin hebben maakt hij geen haast. Het is dan net een soort vader: als de kinderen genieten, geniet ik ook. Beechworth is een kwartier rijden hier vandaan. Het is een heel leuk stadje, beetje stereotype, met een brede hoofdstraat, de auto’s schuin geparkeerd, winkels met overkappingen van golfplaat en de pub annex hotel voorzien van een veranda met ‘iron lace’.
Ons hotel heet de Armour Motor Inn. We hebben bij onze kamer een balkon dat doorloopt over de gehele westzijde van het hotel. Sauce overhandigt Vanessa de kamersleutel en een brief. Het is een e-mail van Bas. Wat een verrassing! Ze leest hem op het balkon, ten overstaan van de ‘buren’ voor.
Eten doen we bij de Bakery. We kijken de ogen uit bij de vitrines vol heerlijke taartjes, koekjes, broodjes en pie’s. We nemen iets gezonds en als beloning een cholesterolbom.
In het stadje zijn heel veel leuke winkeltjes waar we de middag mee volmaken. In een pottery zijn prachtige handgemaakte kunstwerkjes te koop. In een klein zaakje kunnen Sharon en Vanessa de kerstspulletjes niet weerstaan. Het heet Beechworth Gold en wordt beheerd door een ontzettend aardige vrouw. Wij struinen een tijdlang door die kleine ruimte en zij ziet het glimlachend aan. Vanessa koopt een vlinder en als ze het zorgvuldig inpakt zegt ze: “telkens als je er naar kijkt denk je even aan Australië”. Dat vind ik zo leuk, alleen daarom al koop ik iets heel kleins. Zij heet toevallig ook Vanessa en haar chef ook. Weten wij ook dat Vanessa ‘vlinder’ betekent.
Als we de snoepwinkel binnenlopen is het alsof je een film bent beland. Het is er vrij donker door de bruine vitrinekasten die ik weet niet hoeveel verschillende soorten zoetigheid in alle denkbare kleuren bevatten. Er is té veel, het is sluitingstijd en we kopen niets. De groep gaat vanavond eten in het Continental hotel. Ik blijf ‘thuis’, helaas met buikpijn en hou me bij heel veel thee en een koekje.
Op het nieuws zie ik beelden van Woolshed Falls. Iemand is van de rotsen gevallen en wordt op een brancard gelegd. Hoe toevallig! Buiten is het heel helder en daar is Venus weer. Zal Sandra het Zuiderkruis ontdekken?
We hebben al 16 pinnetjes op de rugtas.
Woensdag 29 oktober Beechworth-Canberra
Hoe spreek je nu Canberra uit. Is het Kén-berra of Ken-bérra of Ken-brah.
We zijn er wel achter dat Aussies houden van tweelettergreep woorden en werkelijk alles afkorten. We houden het dus bij Ken-brah, het klinkt goed.
In Aboriginaltaal betekent het ontmoetingsplaats.
De stad waar het Parlement van Australië is gevestigd in een apart staatje, ACT, Australian Capital Territory, daar gaan we vandaag naartoe. Het betekent vroeg opstaan, (kwart voor 6) ontbijten bij de bakker die al om 6 uur open is en op dat tijdstip al toeristen wil voorzien van croissants, scones, koffie en thee. Geweldig!
Ronella zit vandaag voorin de bus. Ze wil onderweg heel graag Nederlandse koeien fotograferen. Na 10 minuten rijden zet Sauce de bus aan de kant, links ziet hij een kudde lopen. Ronella springt uit de bus, rent naar de koeien die het van schrik op een huppeldraf zetten. Maar ze zijn nieuwsgierig en komen voorzichtig kijken wie daar achter het hek staat.
Terwijl Ronella plaatjes schiet van Hollandse koeien, hupt er iets typisch Australisch achter haar langs!
Skippieieieieiee!!!!!
Om 8 uur passeren we de Murray river, dit is de grens met New South Wales. We moeten regelmatig langzaam rijden want er wordt op dit traject aan (of liever naast) de weg gewerkt; er komt een baan bij. Daar zien we weer een ‘lollypopman’, eindelijk kunnen we er eentje op de foto zetten. Ja, het blijft toch een bezienswaardigheid.
Onderweg stoppen we in Holbrook waar het bovenste deel van een 90 meter lange onderzeeboot, de HMAS ‘Otway’ gebruikt in de 1e wereldoorlog, zomaar buiten op het gras tentoongesteld staat.
Vreemd gezicht, dat zwarte gevaarte in een park te zien liggen. En geen zee in de verre omtrek.
De ‘Dog on the tuckerbox’ in Snake Gully is ook zoiets aparts. Het is een beeldje van een hond die bovenop de lunchtrommel van zijn baasje zit. Er is een souvenirwinkel annex café waar we koffie halen en we gaan lekker buiten in de zon zitten met op de achtergrond liedjes uit de tijd dat veedrijven nog een hard en uitdagend beroep was. Walzing Matilda komt uiteraard ook voorbij en die kennen we intussen allemaal.
Nu rijden we na een korte tankstop, in een keer door naar Canberra door landelijk gebied met hier en daar paarse lavendel velden.  We rijden de hoofdstad van Australië binnen en zeggen tegen elkaar: het lijkt Zaandam wel.
Volgens de Brabanders is het precies Eindhoven. Maar hé mensen, dit is dus de hoofdstad van dit grote continent, nou, indrukwekkend zeg met die low-budgetflatjes in de buitenwijk.
We rijden langs het hotel voor vanavond, dat ziet er tenminste leuk uit. Naarmate we verder de stad inrijden ziet het er toch wel mooi uit. Wel erg strak aangelegd met veel parken en waterpartijen. In Lake Burley Griffin, genoemd naar de ontwerper van de stad,  bruist een enorm grote fontein.  Eerst gaan we een paar uur rondkijken in het National Museum of Australia. We komen al snel tot de ontdekking dat we in sneltreinvaart alle zalen moeten afwerken. Het is werkelijk een schitterend museum. We beginnen met een videopresentatie in 4 delen waarin alle aspecten van het land aan de orde komen. Je wordt voor het volgende gedeelte naar de volgende zaal gerold via een ronddraaiende rail waar de stoelen op staan. Heel apart.
De presentatiezalen zijn prachtig ingericht. De leefwijze van aboriginals wordt belicht, de eerste gevangenen, en de kolonisatie van het binnenland, kortom heel Australië komt in vogelvlucht voorbij. Er is ook een opgezette platypus (vogelbekdier) wat is ie klein in het echt! en een Tasmaanse tijger onder glas waarvan we niet eens wisten dat die ooit bestaan heeft. Verderop het skelet van een merinosschaap, geschonken door de vrouw van de bekendste schapenboer uit de Australische geschiedenis, John Macarthur.
Sauce haalt ons op, hij is hier grappig genoeg een aparte verschijning. We moeten verder naar het Parlement waar we een rondleiding krijgen door het gebouw en een lesje staatsgeschiedenis krijgen. Het gebouw ziet er vanbuiten al mooi uit, vanbinnen is het helemaal een pracht. In de grote hal worden we verwelkomd door de gids. In deze grote ruimte staan 12 pilaren, het stellen eucalyptusbomen voor. De trap is van marmer en de vloer van prachtig glanzend hout. Hiermee vergeleken is onze 2e kamer een sjofel onderkomen. De gids vertelt veel over de bouw en inrichting van het gebouw en de stad. Het blijkt dat de hele geschiedenis van zowel aboriginals, de kolonisten als de natuur in de inrichting vertegenwoordigd en verweven zijn.
Nederland had bij de opening een klok geschonken, er zijn er zo’n 2500, dat zal dat kleintje wel zijn zeggen wij een beetje laatdunkend. Maar neen, onze regering had uitgepakt met een groot staand uurwerk.
Het lesje staatsinrichting, gegeven op de publieke tribune van de ‘house of lords’ en ‘house of representatives’ door de heel aardige gids, blijkt niet voor iedereen interessant.
Sharon zit naast me en dommelt in slaap met haar hoofd op haar armen. Zal hier wel vaker gebeuren.
De rest volgt alles met veel interesse want hij vertelt heel boeiend. De vragen worden beantwoord en dan voegt hij er nog een typische basisschoolvraag aan toe: (hier komen veel schoolklassen)
Waarom is de kleur van het ‘exit’ bordje hier rood ipv groen?
Simpel: rood past beter bij het interieur.
We mogen met de lift naar boven naar het dak wat met gras begroeid is en waar je een geweldig uitzicht hebt over de volmaakte lijn tussen stad en de heuvels.
Nu gaan we naar de volgende bezienswaardigheid van de stad: het War Memorial Museum waar we de sluitingsceremonie gaan bijwonen. Het is er druk en er zijn ook hier veel schoolkinderen, allemaal in uniform. Na enige tijd gaan de deuren open en er verschijnt een ‘piper’ in Schotse kledij die ‘The last post’ speelt. Het is doodstil, zelfs de kinderen houden zich gedeisd. De ceremonie duurt heel kort maar is aardig om mee te maken. Dan wordt het tijd om het hotel op te zoeken.
‘We gaan de verkeerde kant op Sauce’. ‘Nèèhhhhhh’, doet Sauce ons ‘nee’ na. ‘Hééé, we zijn geen geiten!!’ roept Hanny verontwaardigd. Dat klinkt leuk met die zachte G. Maar we krijgen nog iets moois te zien namelijk Mount Ainsley. De bus kruipt als het ware de berg op en bereikt het hoogste punt waar we een formidabel uitzicht cadeau krijgen. Uitkijkend over de blauw-wazige heuvels van de Great Dividing Range, het meer en de rivier zien we exact aan de overkant het strak gebouwde Parliament House liggen. Naar beneden kijkend in het struikgewas ontdekken we een kangoeroe. Er springt iets uit de buidel, ahhh daar komt een joey tevoorschijn, hij is bijna net zo groot als z’n moeder. Dat die nog in de buidel past zeg. We maken tientallen foto’s en raken hier niet uitgekeken, wat een mooie plek.
Ik vind Can-brah de mooiste zuidelijke stad tot nu toe.
Vanavond slapen we in een zeer mooi ingericht hotel en we gaan eten bij de Chinees. Dat is lachen.
Het eten is er verrassend lekker en de mensen zijn héél aardig.
Terug in het hotel halen we nog een enorme bel wijn bij de bar waar we heerlijk op kunnen slapen.
Donderdag 30 oktober: Canberra-Katoomba, Blue Mountains
Rise and shine om 06.00 uur. Dat is al heel gewoon. Buiten is het bewolkt. Eerst jarige man en vader bellen, ze zitten daar ’s avonds gezellig aan de appeltaart en schreeuwen met z’n allen HOIIIIIIII, even ruim zeventienduizend kilometer overbruggend.
Wij vertrekken richting Blue Mountains waar we hopelijk kunnen gaan wandelen want nu begint het te regenen.
Als we bij de eerste stop uitstappen is het echt koud en er staat een harde wind.
Maar gelukkig is dit van korte duur en als we om 12 uur aankomen bij een stadje vlakbij Katoomba, schijnt de zon volop en kunnen we buiten onze lunch eten. We zien de eerste blauwig wazige contouren van de Blue Mountains.
Stijgend en dalend rijden we door het heuvelachtige gebied naar Katoomba. Bij Scenic World hebben we de keuze uit een lange en korte wandeling. De meeste van ons  gaan de korte doen want het is nu aardig heet maar wij willen heel graag veel zien van de Blue Mountains en de 1000 steps van de Giant stairway doen en die wandeling duurt zo’n drie uur. Omdat we op tijd terug moeten zijn om beneden het laatste treintje te halen gaat Sauce met ons mee. Hij loopt voorop en gaat als een speer vooruit over smalle paden, nog nattig vanwege de regen en omzoomd door donkere grillige rotsen en hoge bomen aan de ene kant en links beneden de zonnige groenblauwe James Valley.  Kees, Frank, Andreas, Sharon, Hanny, Lia, Nico en wij tweeën houden hem wel bij maar hij zit ons op ieder uitkijkpunt weer triomfantelijk grijnzend op te wachten. Hij heeft ook geen last van de warmte. (lijkt zo) Wij ook niet hoor.(lijkt maar zo)
Wat is de natuur hier overweldigend en ongerept. We komen ogen te kort om al dat moois op te nemen. We zien bij ieder uitzichtpunt de beroemde ‘Three Sisters’ (de legende is iedereen wel bekend) vanuit een andere hoek. Tussen een grote rots en de eerste ‘sister’ is een piepklein bruggetje te zien. We leunen over het veiligheidshek en turen in de verte naar de blauwe waas van over elkaar rollende heuvels waar geen einde aan lijkt te komen. Beneden zijn de valleien bedekt met eucalyptusbossen; de wolken worden erin weerkaatst als donkere vlekjes.
Zóóóó ongelooflijk mooi.
Bij Echo Point is een groot platform waar je weer een ander uitzicht over de vallei hebt. Hier vullen we de waterflessen bij voor het volgende deel van de tocht.
De 1000 steps voeren je 300 meter naar beneden. Je moet een goeie conditie hebben om dit aan te kunnen en geen slappe knieën hebben. We zien hier bijna geen andere toeristen. Na een steil stuk trap vlak langs een afgrond komen we bij de Honeymoon bridge, die zagen we daarnet als piepklein maar blijkt mee te vallen. Je loopt zo via dit bruggetje de andere zuster binnen waar we op een bankje even kunnen uitrusten. Vanessa en ik hebben hoogtevrees; Kees zweet zich een ongeluk, maar dit hadden we niet willen missen.
Nico maakt een foto, vereeuwigt de warme bezwete groep in dit knusse holletje.
Via de Katoomba Falls komen we uiteindelijk bij het stationnetje van de scenic railway uit -ooit aangelegd voor het vervoer van kolen en mijnwerkers- daar moeten we mee omhoog om weer bij de bus te komen, zegt Sauce. We kijken omhoog en bedenken dat we dus bijna loodrecht de berg op moeten met dat verschrikkelijke treintje. Nou……..
Hij is of je in een soort kooi zit zodat je er niet voorover uit kunt vallen en je moet je goed schrap zetten om niet over elkaar heen te rollen. We gaan met een vaart naar boven, door een donker tunneltje en gillen als kinderen in de achtbaan. Met een paar minuten staan we weer boven bij Scenic World waar de andere groep ook net aankomt.
Daar zijn ook de drie beroemde zusters en de hoofdman vereeuwigd in brons. Zo op het eerste gezicht zien ze er vrolijk uit en het lijkt of ze met z’n vieren een spelletje spelen.
Nog even snuffelen in de winkel vol souvenirs en dan met de bus naar het Y.H.A. Daar hebben we een kamer met eigen douche en toilet. Wel even je eigen (stapel) bedje opmaken. We eten vanavond in een klein restaurantje in de stad, het laatste etentje met z’n allen en Sauce. We verrassen hem met een luid en bij vlagen vals ‘he’s a jolly good fellow’ en dan steekt Harmen zijn speech af. Hij doet dat met veel humor en zonder spiekbriefje, super. Wat een spreker is die man.
Een beetje weemoedig lopen we die avond in de nog warme avond naar huis.
Vrijdag 31 oktober: Katoomba-The big smoke SYDNEY-eindstation………
Vanmorgen nog één keer vroeg uit bed. We hebben heerlijk geslapen in de sobere kamer. Bedden afhalen en a.u.b. in het luik naast de receptiebalie gooien. Sleutels inleveren, tassen inpakken en in de trailer zetten; allemaal voor de allerlaatste keer. In de bus roept Sauce voor de allerlaatste keer zijn “GOODMORNING” en wij schreeuwen het voor de allerlaatste keer terug.
We stoppen voor het ontbijt in Wentworth Falls. Sauce vertelt waar we beslist niet moeten gaan eten. De eigenaar houdt niet van groepen toeristen. Het is waar gebeurd dat hij met de vorige groep ijskoud weggestuurd is. Dat soort mensen zijn hier dus ook. Niet veel maar toch.  Sauce kon zijn oren niet geloven maar hij meende het serieus.
We vinden een leuk klein eetcafétje in een voormalig postkantoor. Een aardige eigenaresse laat ons met z’n allen wat tafels aan elkaar schuiven en staat even met een tikkende vinger op haar kin na te denken hoe ze dit zootje snel en efficiënt te eten kan geven. Dit lukt op een wonderbaarlijke manier. Ik vraag op verontschuldigende toon of ik mijn bestelling ook nog kan krijgen. Nou, de man kijkt me verbaasd aan en heft op een ontwapende manier zijn handen ten hemel over zoveel stommiteit van zijn kant, draaft naar de keuken om na 1 minuut met de yoghurt terug te komen hollen.
Als ik later afreken zegt zij dat ik de koffie gratis krijg voor het lange wachten. Super.
Met spijt laten we de Blue Mountains achter ons. We zien dat nu echt het einde van de reis nadert. De wegen worden drukker en daar zijn de eerste  voorsteden van Sydney; we zijn erg benieuwd naar de stad, en hopen niet dat het tegenvalt.
Dan rijden we plotseling de Harbour Bridge tunnel in en zien we een glimp van de skyline en de beroemde brug. Weer in het daglicht is daar de stad. SYDNEY. Alleen de naam klinkt al goed. Nu die eerste glimp door de ramen van een bus. Hoge flatgebouwen aan de ene kant, vriendelijke huizen uitgestrooid in de lage heuvels aan de andere kant van de haven.
Maar dan verdwijnt het uitzicht alweer en rijden we in zuidelijke richting naar Potts Points en naar ons hotel voor de komende drie dagen. We halen de tassen uit de trailer en lopen het laatste stuk naar het hotel terwijl Sauce de bus gaat parkeren.
We hebben een mooie kamer met twee heel verschillende uitzichten. Recht vooruit kijk je op een bouwput en een enorme hijskraan. Je kan dit gewoon negeren en naar rechts blijven kijken want dat geeft een prachtig uitzicht op de mooiste haven van de wereld. 
Maar we gaan snel terug naar beneden waar we met z’n allen de stad ingaan om een rondvaart door die haven te maken. Het is wel een halfuur lopen naar het centrum. Heel veel trappen op en af en straten waar geen eind aan schijnt te komen. Daar glimt een deel van het bovenste dak van het Opera House. Op de werf aangekomen kijken we naar rechts. Daar staat ie dan. Wat fantastisch mooi. Men zegt dat de Deense ontwerper, ene Jorn Utzon, (pas overleden) het nooit af heeft gezien. De daken zijn te vergelijken met de opbollende zeilen van de vele schepen die ooit de haven binnenvoeren maar of Utzon dat ook zo bedoelt heeft? Ik vind het wel een mooie symbolische vergelijking, vind het gebouw gewoon prachtig met al die duizenden keramische tegeltjes glimmend in de zon. Bij Circulair Quay is het een drukte van jewelste. Een beschilderde aboriginal zit op een kleed en speelt op een didgeridoo wat best leuk is maar als achtergrondmuziek klinkt uit een grote speaker naast hem een keiharde beat. Afschuwelijk zeg. Je kan elkaar haast niet verstaan.
De rondvaart is de moeite waard. Je kan kiezen uit een van 1 uur en 2 uur. Wij doen met z’n zessen die van 1 uur. Er staat heel veel wind maar de zon schijnt en we genieten van de boottocht die door een groot deel van de enorme haven vaart. Als we terugkomen staat het operahouse en de brug minstens 100 keer op de foto want ze zijn vanuit elke hoek weer anders en iedere keer prachtig.
‘Mooi hè’, zeggen we voor de duizendste keer tegen elkaar.
In de souvenirwinkel kopen Vanessa en ik onze laatste rugtas-pin, schattige koalabeertjes en t-shirtjes voor thuis. Dan naar het Opera-house om kaartjes voor een theatervoorstelling te boeken. Welke gaat het worden? We zien dat morgenavond het Requiem van Mozart wordt uitgevoerd door het Sydney Philharmonia Choir and Orchestra. De aardige dame bij de kassa ziet dat er nog een aantal plaatsen vrij zijn en hoewel we niet met z’n allen naast elkaar kunnen zitten bestellen we kaartjes voor morgenavond.
We informeren of we in gepaste kleding moeten komen. Ze kijkt ons aan en zegt spontaan: maakt niks uit, het is prima wat je nu aan hebt! Wij bekijken onze smoezelige shirts, hmmm. We gaan eten op een terras aan de promenade. Daar kan je niet zomaar met een groep neerploffen, er staan bordjes dat men zich eerst moet melden. We vragen dus netjes aan een medewerker of hij plaats heeft voor zoveel personen. Hij antwoordt in onvervalst Nederlands: ‘Nou, dat zal wel lukken’. Hij had ons allang horen kwekken. Hij werkt hier een jaar en gaat daarna naar Thailand waar zijn vader woont. We bestellen wijn en Victoria Bitter wat een erg lekker biertje is. Het eten is er ook heerlijk en helemaal niet zo duur, de locatie in aanmerking genomen. Opeens steekt de wind op; hij lijkt te draaien en het wordt fris. Als we teruglopen naar het hotel rillen we in onze shirtjes.
We hebben Kees de hele dag gemist en Sauce niet meer gezien.
Zaterdag 1 november: lopend Sydney verkennen
We zijn al om 8 uur op want we willen zoveel mogelijk zien van de stad. Ontbijten doen we vlakbij de werf, gelukkig houdt de didgeridoo/beat zich nog gedeisd. Als we uitgegeten zijn barst hij los. We zien verderop een busje staan, ze hebben een hele voorraad didgeridoo-spelers. En wij maar denken dat die arme man de hele dag in z’n eentje zit te blazen. Welnee, na een uurtje wordt hij afgelost.
Waar je ook loopt in Sydney, de brug is bijna altijd zichtbaar. Zodra je de camera pakt duikt hij telkens weer op als een opdringerig kind, ‘Hallo, daar ben ik weer, mag ik ook op de foto?’ In The Rocks, de oudste wijk van de stad, is vandaag markt. Helaas begint het te regenen maar de markt is overdekt, we kunnen rustig alles bekijken. Het is er gezellig druk. We brengen hier, dwalend door de oude straatjes vol winkeltjes en eettentjes, een groot deel van de dag door en ’s middags lopen we naar Darling Harbour om het Maritime Museum te bezoeken. Je kunt hier gratis naar binnen. Het is ook weer zeer mooi ingericht en behandelt alle aspecten van de scheepvaart uit de Australische geschiedenis.
Aan de buitenuur van het museum is een 100 meter lange marmeren welcome-wall waar duizenden namen van emigranten in gegraveerd staan. Ik zoek de naam van mijn oom en tante maar dat is een onmogelijke opgave. Binnen is een database en dat zoekt een stuk eenvoudiger. Helaas staat onze familie er niet in. Je kan een plaats op de muur kopen voor 105 Aus.dollar.
Teruglopend door de stad en diverse winkeltjes in-en uitlopend zien we dat het al half 4 is. We kunnen nog even douchen en verkleden en dan met een deel van de groep alwéér lopend terug naar de stad. Daar gaan we eerst eten op een terras bij de werf waar nu een accordeonist vrolijke deuntjes zit te spelen. Klinkt vaag naar Nederland. Een uitgelaten groepje vrijgezellenfeestgangers komt erbij staan. De bruidegom moet een dansje doen en 5 dollar ophalen. Het lukt hem ook nog.
Carla en Kees hebben gisteravond de brug beklommen. Het was een ongekend fantastische ervaring en helemaal niet eng. (Kings Canyon was enger) Carla praat er heel laconiek over maar dat neemt niet weg dat wij haar en Kees ontzettend stoer vinden.  Ik heb nog nooit zulke lekkere kipsaté gegeten. En de desserts, lemon cheescake en apple-pie zijn er ook verrukkelijk.
Helaas ben ik de naam van het restaurant vergeten. Het menu is op krantenpapier afgedrukt.
Bij het Opera-house is opeens de verloren zoon Kees daar. “Ik duik tekens weer op”, roept hij en duikelt in zijn enthousiasme bijna achterover van de trappen.
Binnen zien we Hanny, Ben, Marleen en Sandra. Het komt erop neer dat op een paar mensen na, de hele groep hier bij elkaar is. We staan daar in ons toeristenkloffie (Vanessa springt er uit met haar nieuwe zwarte jurkje) en vinden het superleuk om op deze manier onze reis af te sluiten. Nico en Ton zijn gezellig samen gaan eten. Eenmaal binnen gaan we op onze plaatsen zitten en bekijken het interieur en de mensen die binnenkomen. Zodra je een foto maakt stormt een mevrouw op je af dat dit hier niet toegestaan is. Andreas en Vanessa zijn burgerlijk ongehoorzaam en doen het toch. Zwaaien mag wel. Dat doen we uitgelaten als we onze andere reisgenoten zien zitten.
Als het Requiem begint is het genieten, luisteren en rondkijken. De hele vakantie trekt aan me voorbij. Ik beleef het allemaal opnieuw op de tonen van het Requiem van Mozart. Het hobbelen in de bus, het rif, de hitte, de outback, Sauce met zijn ongekende humor, de oceaan. Wat is dit een mooie afsluiting van een geweldige vakantie! Morgen gaan we uit elkaar. Jan en Carla gaan een week naar familie in Melbourne; Andreas en Sandra reizen verder naar Auckland voor 3 weken Nieuw-Zeeland en de rest van de groep gaat terug naar Nederland.  Wij hebben er nog een dagje Sydney aan vast geplakt en gaan maandag terug naar huis.
Het is indrukwekkend en heel speciaal om hier dit concert mee te maken. Na het concert maken we een paar groepsfoto’s op de trappen en gaan dan een afscheidsdrankje doen. Een druk  mannetje sleurt ons haast zijn terras op, hij wil zeker scoren vanavond. We zitten heel gezellig een paar uur buiten aan de borrel en zien alweer een bruidsgezelschap lopen.
Andreas en Ronella vertellen dat Sauce gisteravond vergeefs op ons heeft gewacht. Hij baalde ontzettend dat hij ons niet meer heeft gezien voordat hij naar huis vloog. Dit is echt niet tof en we hebben er allemaal een naar gevoel over. Hij heeft een briefje achtergelaten wat Andreas op zijn mobiel laat zien.
Nog eenmaal achterom kijkend naar de verlichte brug en Opera lopen we naar het hotel. Net buiten de Botanic Gardens staan een paar tassen met afval, lijkt het. Maar het zijn de eigendommen van twee zwervers die daar in de struiken een in een soort tentje bivakkeren.
Wij brengen de nacht door in een comfortabel bed.
Zondag 2 november: afscheid, met de ziel onder de arm door de stad.
Na een snel ontbijt, yoghurt, gekocht bij Woolworth, wandelen we naar de Royal Botanic Gardens. Die zijn zeer de moeite van een wat langer bezoek waard. Er hangen tientallen vleerhonden in de bomen en ze vliegen onder luid geschreeuw af en aan. Het is hier een plaag geworden en er zijn al fladderende stukken plastic opgehangen om ze te verjagen. Wat zie je hier een grote variatie aan bomen, bloemen en planten. Eentje schiet er uit; de grote paarsbloeiende jacaranda die we al eerder tijdens de reis hebben gezien, zelfs ook in het stadscentrum. Verder naar Farm Cove lopend staan overal bordjes met: please walk on the grass die je uitnodigen toch vooral op het gras te gaan wandelen, zitten, picknicken. Alles is geweldig goed onderhouden, een lust voor het oog. Terug bij het hotel staat de groep al klaar met de tassen en iedereen voelt zich een beetje weemoedig nu de reis echt ten einde is. Als de bus aankomt nemen we afscheid en beloven te mailen, foto’s te sturen en elkaar weer te zien over een paar maanden. We zwaaien tot ze de hoek omdraaien.
Daar staan we dan met z’n drieën. Een beetje uit het lood geslagen.
’s Middags gaan we samen met Sandra met de veerboot naar Manly om het strand te bezoeken en de lekkerste fish and chips van Australië te proeven. De veerboot brengt ons in een halfuur naar het begin van de haven. In het zicht van de noord en zuidkaap die de poort vormen van Port Jackson, kijk je zo op de eindeloze oceaan en voel je de deining. In Manly is het helaas ook bewolkt, winderig en maar 19 graden dus aan het strand liggen is er vandaag niet bij. De gegrilde, niet gefrituurde! barramundi fish and chips maakt veel goed want die is wat er is beloofd: verschrikkelijk lekker.
Manly is verder een gezellig stadje, volop leuke winkeltjes.
Weer terug in de city willen we nog twee dingen doen: de Sydney Tower en over het voetpad van de Harbour bridge lopen. Voor het eerste is het te bewolkt dus doen we de brug. Het is nog een gezoek om de trap naar boven te vinden. We komen dus te laat om bovenin een van de pylonen het uitzicht te bewonderen want die was vanaf 5 uur gesloten. Maar vanaf de brug is er ook veel te zien en te genieten. We lopen terug via de Rocks naar de city en de drukke winkelstraten. Eten een dubbeldikke burger bij de ‘Mac’. Dan nog even de trap op van het Opera House, een foto, een laatste blik achterom….morgen vertrekken wij ook.
Vlakbij het hotel kopen we in een klein buurtwinkeltje een ‘wagonweel’, een rond dik stuk huisgemaakte chocoladecake met marshmallow. Voor op onze laatste avond, straks bij de koffie.
We brengen de rest van de avond relaxt en kletsend door en we vertellen elkaar hoe we onze medereizigers missen.  
Maandag 3 november: Sydney, tot ooit!-Hong Kong-Amsterdam
7 Uur worden we wakker door het getimmer van de bouwvakkers. We ontbijten op ons gemak, pakken zorgvuldig de tassen in en waken ervoor geen scherpe voorwerpen in de handbagage te doen. O ja, en géén pins op de rugtas, mama!
We sturen de laatste e-mails naar huis.
Het weer is prachtig en vanuit onze kamer schittert het water in de baai waar de bootjes liggen te dobberen. We worden om ongeveer 12 uur opgehaald en met de bus naar het vliegveld gebracht. 
Nu gaan we weg zonder het Zuiderkruis gezien te hebben. En helaas ook de bibliotheek hebben we niet bezocht. Dus we moeten ooit nog een keer terug. Ons gevoel is heel dubbel. Van de ene kant verlangen we heel erg naar thuis maar nemen ook met moeite afscheid van dit geweldige land. Wat zullen we het missen. En wat was het allemaal geweldig.
Bij de controle wordt Vanessa’s tas achtergehouden. Ze blijkt de in Hahndorff gekochte zilveren boekenlegger per ongeluk in haar handbagage gestopt te hebben. Er zit een scherpe punt aan.
En ze is hem onherroepelijk kwijt. Bálen.
Vlucht CX100 vertrekt op tijd en na de halve serie ‘Fawlty Towers’ en ‘Babe’, landen we in Hong Kong waar we nu slechts 2 uur hoeven wachten op de vlucht naar Amsterdam. De volgende dag arriveren we in een dichte mist op Schiphol. Veel vliegtuigen konden niet landen dus wij hebben geluk. Bas sms’t dat ze er al zijn.
De bagage is er vlot en we lopen naar de uitgang waar………niemand ons staat op te wachten. We kijken rond……daar zijn ze opeens. Met een bord: ‘welkom thuis’. Wat heerlijk om iedereen weer te zien. We omhelzen, zoenen. Buiten is het koud en mistig. We zijn weer thuis.
Het is goed, maar er is ook heimwee naar dáár. Voor altijd zal Australië er zijn. En ooit, ooit, zal ik daar weer naar toe gaan……..
Gelukkig hebben we de foto’s nog.

De outback van Australië met de ‘Ghan’

De ‘Ghan, de trein die de Australische noord- en zuidkust verbindt, verwijst naar de Afghaanse kameeldrijvers die in de 19e eeuw het onbegaanbare binnenland hielpen ontsluiten. In onze tijd bedwingt de Ghan de ‘outback’ op comfortabele wijze. Wij reizen mee vanaf Alice Springs over het nieuwe, noordelijke deel van de spoorlijn. Terwijl het landschap aan je voorbijtrekt, kun je de bar of het restaurant opzoeken. Daarna laat je je in je comfortabele, verstelbare stoel in slaap wiegen. Je ontwaakt bij een onvergetelijke zonsopkomst die de ‘outback’ een warme gouden gloed geeft. Het rood van de zandheuvels, bestrooid met stekelige graspollen en dwergeucalyptussen, wordt steeds dieper. Voor je het weet moet je afscheid nemen van de kameel van de 21e eeuw.