Reis zoeken

Soort reis

Regio

Met oog voor

Reisduur

Vertrekperiode

Prijs

Reisverslag Ecuador en Galapagos 22 dgn okt 2010

Reisverslag Ecuador-Galapagos-Bonaire
Verslag van een Djoserreis van 25 oktober tot 19 november 2010
(Paul Barends, Oosterbeek - 30 november 2010)

De eerste initiatieven voor deze reis worden al in november 2009 tijdens een familiefeestje genomen. Met zwager Pieter en schoonzus Mariëtte spreken Marij en ik af dat we gezamenlijk naar de Galapagos zullen gaan. Voor mij als bioloog zou dat een bezoek aan het paradijs voor biologen betekenen! Tijdens de voorbereidingen blijkt al snel dat zo’n reis het beste gecombineerd kan worden met een bezoek aan Ecuador. Diverse reisorganisaties worden geraadpleegd, maar na een bezoek aan een informatiemiddag in Arnhem wordt het snel duidelijk: het zal gaan via Djoser. En omdat we tijdens de terugreis Bonaire zullen aandoen, worden er meteen vier extra dagen aan vastgeplakt. In maart 2010 wordt er daadwerkelijk geboekt en kan de echte voorpret beginnen. Van de Galapagos weet ik al een en ander en heb daarover mooie boeken (Eilanden van de betovering Galapagos, met foto’s van Kees en Mariska Scherer en tekst van Han Rensenbrink) en dvd’s (twee BBC documentaires  en twee delen van de reeks Beagle, in het kielzog van Darwin). Van Ecuador weten we nagenoeg niets. Een mooie dikke reisgids (de Insight Guide), reisverhalen via de Djoser-site en een dvd via internet (Destination Ecuador van Globetrekker), maken ons al snel duidelijk, dat we ons ook zeker kunnen verheugen op Ecuador zelf. Door Djoser worden we regelmatig op de hoogte gehouden van de ontwikkelingen, ook als het begin oktober even politiek spannend wordt in Quito. En zo gaan we op maandag 25 oktober naar Schiphol………………

Dag 1 – maandag 25 oktober (op weg)
Reisdag 1 is eigenlijk maar heel kort. Want we vertrekken pas om 23:40 uur vanaf Schiphol. De treinreis verloopt soepel, nadat broer Marc ons op station Ede-Wageningen heeft afgeleverd. Het sealen van de koffers lukt niet, omdat de apparatuur vanaf 20:00 uur niet meer werkt. Pieter en Mariëtte wachten ons op en met een vol vliegtuig vertrekken we stipt op tijd. In de MD11, een luxe vliegtuig van de KLM, is het direct eten geblazen en met een slaappil ga ik de nacht in.

Dag 2 – dinsdag 26 oktober (Quito)
Midden in de nacht (althans zo lijkt het, het is aardedonker maar wel negen uur verder), hebben we een tussenstop op Bonaire. Ik heb zowaar tegen mijn gewoonte in een flink aantal uren geslapen en heel weinig muziek geluisterd. Vrijwel op tijd landen we na nog een tussenstop in Guayaquil in Quito. Onderweg hebben we prachtig zicht op diverse vulkanen, waaronder de Cotapaxi en de Chimborazo. Quito ligt ingeklemd tussen twee Andes-ketens en het aanvliegen naar de luchthaven, die midden in de stad ligt, is echt spectaculair te noemen.  De formaliteiten op de luchthaven verlopen snel en onze gids Marc staat ons al op te wachten. Ook ontmoeten we nu voor het eerst de rest van de groep.  Het lijken op het eerste gezicht leuke mensen, divers van leeftijd. De bus is nieuw en er is ruim plaats voor eenieder. We hadden dus gemakkelijk grotere koffers mee kunnen nemen en thuis niet zo hebben hoeven worstelen met de ruimte, maar verderop blijkt niet al te veel bagage toch wel handig. Na een rit van een half uur bereiken we ons eerste hotel El Arupo, een middenklasser, waar we ook de laatste dagen in Ecuador zullen verblijven. We hebben allemaal lichte hoofdpijn door de reis en door de hoogte, waarop Quito ligt (2850 meter).
Marc houdt eerst een bespreking en vertelt ons in zo’n anderhalf uur wat ons allemaal te wachten staat. De trein over de Duivelsneus gaat niet door. De bielzen waren compleet verrot en de trein blijkt al maanden buiten gebruik. Wel heeft Marc straks als extra een “guided tour” door de stad. Het verblijf in Guamote op de elfde dag wordt vervangen door een nieuw hotel in Riobamba. Ook geeft Marc een aantal handige tips. Zo raadt hij ons aan bij een van de lokale farmaciewinkels Mareol te kopen, een ideaal en zeer goedkoop middel tegen zeeziekte en geeft wat aanwijzingen voor het pinnen van geld (bij de gele Pichincha pinautomaten kost pinnen geen extra geld).
Quito is een grote stad met zo’n 2,1 miljoen inwoners (er wonen ruim 13 miljoen inwoners in heel Ecuador). Het ligt ingeklemd tussen de bergen, is 50 km lang en 8 km breed. Halverwege de middag verzamelen we eerst voor een rit met de bus en later voor een wandeling door de oude stad. Met een lokale gids, de jonge en mooie Luisa, rijden we naar Panecilo, een heuvel in Quito, waarop een enorm standbeeld van de Virgen de Legarda, de heilige maagd van Zuid Amerika, dat over de stad uitkijkt. Het regent wat, maar de uitzichten zijn er niet minder om. De wijken liggen alle tegen de bergen aangeplakt.
In Quito rijden ruim 400.000 auto’s (in heel Ecuador zijn dat er 950.000!) en door de drukte is men er zelfs toe over gegaan de auto’s om de dag te laten rijden.  De auto is een echt statussymbool. Ondanks het feit dat veel mensen zich dat niet kunnen permitteren, zien we veel dure automerken. De wat minder draagkrachtigen reizen per bus. De trein wordt vrijwel niet gebruikt. Er rijden in Quito trolleybussen, waarmee je voor 25 dollarcent de 50 km van noord naar zuid kan rijden, een rit van zo’n 4,5 uur!
De chauffeur Marco krijgt een bon omdat hij zijn gordels niet om heeft. Het kost hem een dagloon, zo’n 20 dollar. Ik stel de groep voor elk 1 dollar te doneren en we betalen de boete voor hem. Ik ben meteen zijn vriend!
Na het standbeeld rijden we naar de oude stad, waar we zo’n 3 uur rondlopen. Luisa vertelt dat de beste manier om kennis te maken met het oude Quito een wandeling is door de smalle, steile straatjes. Het oude koloniale centrum is in 1978 uitgeroepen tot werelderfgoed. Het hart wordt gevormd door de Plaza de la Independencia, met in het midden een groot standbeeld en er omheen de grote Catedral, het aartsbisschoppelijk paleis en de Palacio de Gobierno (het presidentieel paleis). Prachtige kerken, kloosters als het indrukwekkende San Franciscoklooster, musea en andere monumentale gebouwen sieren verder het centrum. Een kerk, de La Companĭa, is zelfs binnen bijna geheel van goud; zo’n 7000 kilo bladgoud is er gebruikt. De wijk La Ronda is het meest romantische stukje koloniaal Quito.
Tegen zessen keren we terug en eten gezamenlijk in een restaurant tegenover het hotel. Tijdens het eten maken we wel echt kennis met diverse reisgenoten. Naast onszelf en Pieter en Mariëtte, broer en schoonzus van Marij, is er het jongste stel Kim en Pascal uit Best; beiden iets boven de 30 jaar; ze zijn net getrouwd en beschouwen deze reis als hun huwelijksreis. Arnoud uit Zwolle is 34 , Thea uit Maastricht is halverwege de 40 en Abel uit Hoogezand is tegen de 50; alle drie zijn ze single op vakantie gegaan. De rest is net als wij wat ouder. Dat zijn Peter en Marianne uit Oudkarspel, Joep en Marianne uit Herpt, Herman en Joke uit Rijnsburg (ze kennen elkaar nog niet zo lang en zijn duidelijk verliefd), Ed en Sylvia uit Rotterdam, en Narda uit Gouda. Deze laatste, 67 jaar oud, valt op door haar geringe lengte en haar wat breekbare uitstraling. Ze blijkt in haar eentje al aardig wat gereisd te hebben over wereld (tot in Antarctica toe) en beschouwt dit toch als haar laatste grote reis, voordat ze definitief bij haar man en kinderen thuis blijft. Ook zij is dus een single op deze reis. Arnoud en Thea zijn, net als ik, wat fanatieker op fotogebied en met hen zal ik al snel wat meer contact hebben. Tijdens de reis letten we wat meer op elkaar en vooral op de mooie spots en vergelijken vaak enthousiast en soms met enige trots de gemaakte foto’s.
Het eten is maar matig en de moeheid maakt de eerste slachtoffers. De een na de ander haakt af (Thea, Peter, Pieter, Sylvia). Ze hebben het helemaal gehad en het matige eten doet daar ook een schepje bovenop.  Wellicht door het slapen tijdens de vlucht heb ik wonderwel weinig last van vermoeidheid.
Tegen 21:00 uur begeven we ons naar de kamers. Omdat we naast de keuken liggen, verzoekt Marij de daar aanwezigen iets rustiger aan te doen, omdat er 18 mensen liggen te slapen die zo’n 15 uur hebben gereisd en erg moe zijn. Er wordt direct en vriendelijk gehoor aan gegeven.

Dag 3 – woensdag 27 oktober (van Quito via Machachi naar de Cotapaxi)
We ontbijten om 07:00 uur, hetgeen al snel het gebruikelijk tijdstip blijkt te zijn. Marc heeft ons gewaarschuwd dat we lange dagen zullen gaan maken! Om 08:00 uur rijden we richting Machachi via de Pan American Highway (die van Alaska dwars door de USA en Midden Amerika helemaal naar het zuiden van Chili loopt) om aldaar eerst Narda af te leveren bij het prachtige haciënda-achtige hotel La Estacion. Zij gaat niet mee de Cotapaxi op.  Tijdens de rit de vulkaan op, doen we een indianenmuseum aan, waarin aandacht wordt gegeven aan de condor, die hier schijnt voor te komen. Na de check-in voor het park passeren we eerst veel boomplantages. De wandeling op zo’n 3800 meter met uitzicht op de Cotapaxi is indrukwekkend. Planten als bromelia’s, tongvarens,  en allerlei klein bloeiend spul begeleiden ons. Iets hogerop wordt geluncht en rondom het Limpiopungo-meer gewandeld. Ik heb wat last van hoofdpijn en blijf bij de bus. Mariëtte heeft flinke last van hoogteziekte en houdt het ook voor gezien.
Terug bij het hotel rusten we eerst wat uit. De Hosteria La Estacion is prachtig gelegen aan een spoorlijn, die alleen op zondag wordt gebruikt. Bij het naastgelegen station is een draaiplatform, waarop treinen kunnen keren. Het hotel heeft een idyllische patio en een prachtige tuin, waarin een aantal tweekamerappartementen staat. Bij ons appartement wordt de houtkachel aangestoken. We dineren ’s avonds in het hotel en vieren de 49-ste verjaardag van Abel. Het eten is er erg lekker en tevreden gaan we naar bed.

Dag 4 – donderdag  28 oktober (via Saquisili en de evenaar naar Otavalo)
Het ontbijt is iets vroeger en we vertrekken om 07:00 uur richting evenaar en Otavalo. Maar eerst bezoeken we de veemarkt en andere markten in Saquisili. Saquisili komt alleen maar tot leven op de donderdagse markt. Daar worden schapen, varkens, koeien , schapen, paarden en lama’s verhandeld. Ondanks dat men het soms niet zo nauw neemt met het dierenwelzijn –Marianne Thiemen kan hier nog het nodige werk verrichten- is het een kleurig schouwspel. Elke donderdag komt een bonte stoet Ecuadorianen van heinde en ver om hun vee en andere waar te slijten. De markt is duidelijk niet op toeristen ingesteld en wellicht juist daarom populair bij reizigers. We vallen op te midden van al dat indiaans kleurgeweld. We kopen er een lunch voor onderweg en gaan via de ringweg om Quito heen noordwaarts. In San Antonio de Pichincha bezoeken we Mitad del Mundo, de echte scheiding tussen noord en zuid, de equator, waar het land naar is genoemd. Vroeger lag de scheiding iets verder op, maar de nieuwste GPS-technieken hebben precies de grens bepaald, en in het museumachtige park bewijzen natuurkundige proefjes dat de evenaar eigenaardige aspecten in zich bergt. De gids Paola wijst ons op een paar vreemde zaken: het bekende rechtsom gorgelen van water in een gootsteen bij ons in het noorden gaat midden op de evenaar niet op, het stroomt rechtdoor het afvoerputje in. Verzet men de waterbak slechts enkele meters  noord- of zuidwaarts, dan krijg je de bekende draaikolk te zien. Er is ook een dubbele zonnewijzer, omdat de zon daar zes maanden ten noorden en zes maanden ten zuiden  een ellips maakt. Ook het evenwichtsgevoel is bizar midden op de evenaar. Het lukt niet om met de ogen dicht rechtuit te lopen op de evenaarlijn….. één meter noord- of zuidwaarts…. geen probleem.
Het parkje erbij is aardig. Men vertelt wat over koppensnellen en het laten krimpen van hoofden. Ter illustratie worden enige hoofden getoond. Een prachtige groene kolibrie laat zich in de zon fotograferen.
We vervolgen onze weg naar Otavalo. Onderweg haalt Marc bij een stopplaats op de Panamerican Highway zijn kleding op, die zijn  vrouw Olga voor hem had gewassen. Het weerzien kent even een innig moment. Er wordt nog even gestopt in Guayllabamba, omdat daar een of andere aparte vrucht te zien is, de Cherimoya, verwant aan de zuurzak en de suikerappel. De pitten en de schil zijn giftig, maar het vruchtvlees smaakt naar een combinatie van gember, papaja en kool. Er worden diverse plasstops en fotostops gemaakt; onderweg zien we veel rozenkassen die hier voornamelijk door Nederlanders zijn opgezet. Marc geeft wat informatie en een duidelijke plattegrond van de stad Otavalo en aan het einde van de dag eten we met zijn vieren in restaurant Mi Otavalito een werkelijk schandalig goedkoop en erg lekker diner. Chateaubriand met alles erop en eraan en met wijn en koffie voor $ 15 p.p.! De nacht is zoet! We overnachten in het hotel Doňa Esther, een matig hotel met een abominabele bediening.

Dag 5 – vrijdag 29 oktober (Otavalo)
Het ontbijt gaat met de nodige strubbelingen gepaard. Kim en Pascal wachten tevergeefs in de patio op hun eten, maar na tussenkomst van Marc komt het uiteindelijk in orde. Vandaag een hele dag Otavalo. Marc geeft ons de keus om zelf rond te kijken of met hem rond te toeren naar een vulkaanmeer, naar het leerstadje Cotacachi en het muziekstadje Peguche. De hele groep kiest voor het laatste. Zo gaan we op weg naar het kratermeer van Cuicocha. Op zo’n 3300 meter maken we een prachtige wandeling en varen vervolgens het kratermeer over. Aansluitend drinken we koffie en bezoeken Cotacachi, het leerbewerkingcentrum van Ecuador. Het stadje is genoemd naar de naastgelegen vulkaan. Na de lunch worden de nodige leren tassen gekocht. In Peguche laat de familie Cotacachi zien hoe panfluiten worden gemaakt en met de hele familie horen hoe de lokale muziekinstrumenten klinken. De meeste Ecuadorianen, die bij ons in west Europa Andes-muziek maken, komen uit de omgeving van Otavalo. Iets verderop wordt getoond hoe men van wol kleden maakt. Veel is geïnspireerd op het werk van Escher. Ik koop een mooie trui van Alpacawol.
Teruggekomen in Otavalo bezoeken we de bekende Poncho Plaza, het grote marktplein. Alhoewel de traditionele markt op zaterdag is, is het er toch erg druk. Daar worden diverse kleine dingetjes gekocht voor het thuisfront. De Otavaleños zijn herkenbaar aan hun lange zwarte paardenstaart, zowel bij mannen als bij vrouwen.  Ze houden er duidelijk niet van om gefotografeerd te worden. Ze zijn bang dat de camera hun ziel af zal nemen. Vaak draaien zij daarom hun hoofd om. Wonderwel verdwijnt deze angst vaak als je ze betaalt voor een foto.
Overigens zijn veel steden in Ecuador, zelfs een groot deel van Quito, aangelegd in een duidelijk ruitpatroon, zodat het uitleggen en vervolgens daadwerkelijk opzoeken van winkels, restaurants en bezienswaardigheden heel gemakkelijk is; gewoon bijvoorbeeld na drie blokken rechtsaf en daarna na zeven blokken linksaf. We eten weer bij Mi Otavalito en krijgen er lokale muziek bij cadeau. Na het eten herpakken we de koffers voor een tweedaags verblijf in de jungle. We kunnen niet alles meenemen en moeten dus keuzes maken.

Dag 6 – zaterdag 30 oktober (van Otavalo naar Tena)
We staan om 05:45 uur op. Omdat Marc geklaagd heeft over de slechte bediening van het hotel staat het ontbijt nu in volle glorie gereed. Inwendig versterkt gaan we op weg en zien snel de 5790 meter hoge Cayambe, de hoogste berg midden op de evenaar (gerekend vanaf het midden van de aarde!).  Over de Pappalacta-pas (4000 meter) komen we even in een gebied waar nog slechts één soort boom groeit, de Cojoba, een vlinderbloemige. Op weg naar de warmwaterbronnen van Pappalacta is de in hoogte derde vulkaan van Ecuador, de Antisana (5758 meter), duidelijk te zien. In Pappalacta baden we overheerlijk in de thermale baden, waarbij Marij iets te lang in een van de hete baden zit. Ze moet er even van bijkomen, maar met een cappuccino gaat dat uitstekend. We eten vervolgens verse forel in verschillende varianten bij restaurant Gina in Baeza, dat daar wereldwijd bekend om is. 
We verlaten langzamerhand het Andesgebergte en dalen omgeven door nevelwouden en hoge watervallen af naar Tena, de hoofdstad van de provincie Napo. De vulkaan Sumaco, de hoogste vulkaan van het Amazonegebied, laat zich zien. In Tena steken we de Rio Napo over, die diep in Brazilië uitmondt in de grote Amazonerivier. Aan het einde van de middag bereiken we zo’n 50 km verderop opnieuw de Naporivier, waar we overstappen op kleine kano’s, die ons in 10 minuten naar de Liana lodge brengen. Deze lodge ligt werkelijk prachtig midden in het dichtbegroeide en vochtige oerwoud. De lodge is in handen van Zwitsers, zodat er ook veel Zwitserse stagiaires rondlopen. Om zo’n stage te kunnen doen, moeten de studenten zelfs geld meebrengen! De lodge bestaat uit 8 dubbelhutten en een uitstekend openlucht restaurant. Omgeven door groen, insecten en vogelgeluiden eten we bij kaarslicht. Het is spookachtig mooi!

Dag 7 – zondag 31 oktober (Liana lodge aan de Rio Napo)
Vandaag staat een wandeling door de jungle op het programma met aansluitend een bezoek aan het rehabilitatiecentrum Amazoonico voor bedreigde en gewonde dieren, dat niet ver van onze lodge aan de Rio Napo ligt.
We kiezen onze laarzen uit en vragen om een wandelstok. Met dat laatste hebben we goede ervaringen opgedaan toen we de Kilimanjaro in Tanzania beklommen. Onder leiding van een lokale gids gaan we op pad. De route is zeer indrukwekkend, maar ook moeilijk begaanbaar. Thea wordt voorzien van geheimzinnige indianentekens op haar gezicht met rood sap uit de Agottivrucht. Enorme knaloranje Heliconia’s en reuzenbromelia’s staan aan weerskanten van de paden. Regelmatig moeten we langs de zompige paden ons omhoog werken, vasthoudend aan boomstronken en lianen. De gids wijst ons naast bijzondere bomen en planten op een aantal interessante dingen. Zo laat hij zien dat je voor bescherming tegen insecten uitstekend gebruik kan maken van termieten. Hij laat ze op zijn hand lopen en smeert ze uit over zijn arm. Ook wijst hij op het gebruik van drakenbloed, het sap van de drakenboom, Croton lechleri. Dit sap, het Sangre de Drago,  helpt tegen jeuk, open wonden, en veel andere kwalen. Zelfs inwendig helpt het tegen maagkwalen. Er zijn ook mierennesten in bomen met een zeer kleine agressieve mierensoort, die in het indiaans zoiets heet als ”dieren die je uit je onderbroek krijgen”. De wandeling gaat in ieder geval gepaard met enorm gezweet, modder en stoer geklim. Het opvangcentrum voor de bedreigde dieren doet wat kunstmatig aan. Het is eigenlijk een soort grote dierentuin, waarin we apen, pecari’s, kaaimannen, capibara’s en katachtigen als ocelots kunnen zien. Informatief is het wel. En het dient wel degelijk een goed doel, want gewonde dieren worden er verzorgd en zo mogelijk later weer uitgezet. Na de lunch rusten we wat uit in de hangmatten bij  de hutten en Marij en Pieter besluiten de dag door in een autoband nog een stuk van de rivier af te drijven. Het kaarslichtdiner ’s avonds is weer overheerlijk.

Dag 8 – maandag 1 november (van de jungle naar Baňos)
Na een nacht vol tropische stortbuien (wat hebben we gisteren geluk gehad; wandelen zou vandaag heel wat lastiger zijn geweest) verlaten we per kano de jungle en rijden met onze bus weer richting Andes. Marc is vanochtend op dreef en voorziet ons van allerlei leuke informatie. Via Tena en Puyo zien we weer uitgestrekte nevelwouden, die de berghellingen bedekken. We zijn de afgelopen dagen allemaal flink gebeten door kleine zandvliegjes. Hun beten leiden tot een veelvoud van kleine irritante jeukende bultjes. Later zullen we in Baňos het middel Caladryl kopen, dat enige verlichting geeft. In Sta. Clara houden we een korte koffiestop, waarbij mooie orchideeën in de tuin worden gefotografeerd. De lunch gebruiken we in de Hosteria Turingia in Puyo buiten op een door prachtige paarse Bougainvillestruiken omgeven terras. Op weg naar de Pastazavallei worden we getrakteerd op een uitbarsting van de vulkaan Tungurahua (ruim 5000 meter hoog). Bij de Pastaza rivier vliegen veel zwartkopgieren. Bij Rio Verde dalen we af naar de Pallon del Diablo-waterval. Het is hier echter zeer druk. Vandaag is het Allerzielen, een nationale feestdag in Ecuador. En inderdaad, je kan over de mensen lopen. De tocht van de waterval naar boven is toch nog pittig. Marc had al de hele dag een verrassing beloofd : een aantal groepsleden gaat met een bakje via een kabelbaan over de ravijn van de Pastaza. Er staan veel Ecuadorianen te wachten, maar Marc regelt iets met de mensen ter plaatse. We voelen ons waarlijk bekeken door de wachtende meute, die erg vriendelijk blijft. Ik blijf aan de kant, maar er wordt verteld, dat het eng is, maar het uitzicht indrukwekkend.
In Baňos bezoeken we eerst een bedrijf waar ze uit Tagua-noten mooie beeldjes en sieraden maken. Ze lijken erg op ivoor en worden gepresenteerd als prima vervanging hiervoor. In het hotel Donde Ivan, waar we drie nachten zullen blijven, hebben we een kamer met dakterras en uitzicht op de stad. Na een uitgebreide instructie over de met name sportieve activiteiten voor de komende dagen, gaan Marij en ik met zijn tweetjes eten in Baňos. Iets na tienen zoeken we ons bed op.

Dag 9 – dinsdag 2 november (Baňos)
De omgeving van Baños biedt een scala aan mogelijkheden; mooie wandelingen naar de hoger gelegen warmwaterbaden, tochtje te paard over de flanken van de omringende bergen of je maakt een mountainbike tocht langs de vele watervallen waaronder de Pallón del Diablo. Ook raften of canyoning behoren tot de mogelijkheden.
Vanochtend gaan Pieter en Marij dus canyonen. Dat worden zeer spectaculaire bestijgingen en afdalingen rondom een zestal watervallen. De foto’s van Arnoud laten dat duidelijk zien. Ik ga met Mariëtte en Narda naar de dierentuin. Donde Ivan, de hoteleigenaar, brengt ons weg. Het is een mooie tuin, die gelegen is in een vallei. Veel inheemse dieren, als condors en jaguars, zijn er te zien. Zelfs grote Galapagos schildpadden lopen er rond. Omdat Narda kleine beentjes heeft en er veel trappen zijn, neem ik haar vaak aan de hand, tot groot vermaak van de lokale bevolking. Voor 1 dollar rijden we per taxi terug naar het hotel.
Mariëtte en ik lunchen in het restaurant Düsseldorf en worden onthaald op een mooi concert van een groep Ecuadorianen, die o.a. El Condor Pasa spelen met inheemse instrumenten. Mariëtte filmt alles. Onze kamer, die vochtig stonk, is inmiddels schoongemaakt en ruikt nu fris. Na een uurtje zon op het dakterras komen Marij en Pieter terug met enthousiaste verhalen. Gevieren gaan we de stad in, kopen een paar Tagua-beeldjes en briefkaarten voor het thuisfront. Ook de grote kerk in Baňos wordt bezocht. Het is duidelijk dat de katholieke kerk hier nog goed wordt bezocht! Door Allerzielen en de vrije dagen zijn er veel bezoekers. ’s Avonds eten we met zijn vieren bij Düsseldorf en kijken naar voetbal, naast volleybal dé nationale sport in Ecuador.

Dag 10 – woensdag  3 november (Baňos)
Omdat het voor Marij, Pieter en Mariëtte vroeg ontbijten is, ze gaan vandaag raften, eet ik ook mee. Daarna haal ik de was op. De was merken ze met gekleurde draadjes, zodat de was niet wordt verwisseld met die van een ander. Dat dat niet feilloos werkt, is duidelijk. Ik mis een en ander en heb nu onderbroeken in maten, die duidelijk niet van ons zijn.
Na het ontbijt haal ik een aantal flesjes Sangre de Dragon, het middel tegen jeuk, zoals we dat in de jungle hebben gezien en dat uit de drakenboom wordt gehaald.  Vervolgens zoek ik een bakker op en koop lekkere broodjes voor de lunch. Baños kent een mooie basiliek waarin de maagd wordt vereerd vanwege de wonderen die ze heeft verricht. De mirakels worden uitgebeeld op de schilderijen in de kerk. Bij de basiliek bezoek ik het museum vol priestergewaden, kerkelijke kitsch en slecht opgezette dieren. Een zeer curieuze verzameling. Overal in de stad zijn wegmarkeringen aangebracht die de evacuatieroute aangeven voor het geval de vulkaan Tungurahua uitbarst (hoe actief die vulkaan kan zijn, blijkt als ik tijdens het afronden van dit verslag op 4 december 2010 via het NOS-journaal getuige ben van een grote uitbarsting, waardoor mensen in Baños en omgeving moeten evacueren). Na een heerlijke cappuccino in Düsseldorf internet ik samen met Arnoud en wissel de foto’s van het canyoning uit. Ik loop nog even naar het busstation en de brug over de Chambo. De rest komt tegen drieën terug van het raften. We gaan wederom met zijn vieren de stad in, kopen souvenirs, pinnen wat geld en drinken koffie. ’s Avonds eten we bij Donde Ivan, die er een speciaal diner van heeft gemaakt. Ik proef zelfs van de cavia, die o.a. door Mariëtte als keuzemenu is gekozen. Marij gaat nog met een klein groepje proberen een glimp op te vangen van de Tungurahua vulkaan. Maar deze laat zich echter in het nachtelijk duister niet zien. Het afrekenen van de was na het diner verloopt wat chaotisch. De weegschaal die ze gebruikt hebben om de was te wegen, blijkt zeer onbetrouwbaar. Kim en Pascal moeten zelfs meer was betalen, dan ze in de koffers hebben gehad! Het leidt tot enige hilariteit. Gelukkig wordt er ook om gelachen.

Dag 11 – donderdag  4 november (van Baňos naar Riobamba)
Met een mooi uitzicht op de Tungurahua rijden we zuidwaarts richting Riobamba. Het landschap laat al wat van de Andes lappendekens zien, het typische patroon van akkerbouw. In de Pastaza vallei groeit allerlei fruit uit de gematigde zone, zoals appel, peer, aardbei, pruim en perzik. In de tropische gebieden groeien diverse tropische vruchten, als ananas, chirimoya, granadilla, pitahaya en tamarinde. Zo is Ecuador het land met de meeste soorten vruchten.
We rijden door Pelileo, de jeansstad van Ecuador. Hier kopen mensen van heinde en ver hun jeans  voor 10 à 15 dollar, die in Quito al snel zo’n 40 dollar kosten. We passeren Salisaca, waar nog een aparte indianenstam woont, die destijds door de Inca’s uit Peru is meegenomen. Ze zijn herkenbaar aan de zwarte poncho’s, waarin zowel de mannen als de vrouwen lopen.
Bij Mocha fotograferen we de typische Andes-mozaieken langs de spoorbaan naar de Duivelsneus, die buiten gebruik is. De groep, die straks de Chimborazo opgaat, is al dapper bezig de twee liter water te drinken die daarvoor nodig is. Dus er zijn veel plaspauzes nodig. Onderweg zijn er mooie zichten op de Chimborazo en de Carihuairazo. Er worden verschillende fotostops gemaakt. De Chimborazo is de hoogste berg van de wereld, gemeten vanaf het centrum van de aarde; zelfs 2,1 km hoger dan de Mount Everest. In Riobamba, een stad met 125.000 inwoners, passeren we een vliegveld dat slechts éénmaal per jaar wordt gebruikt door de president als het stadsfeest van Riobamba wordt gevierd. Tegen 11 uur verlaat de groep het hotel El Troje, op weg naar de vulkaan. Mariëtte en ik gaan niet mee, maar besluiten de stad te gaan bezoeken. Na een cappuccino nemen we een taxi naar het centrum en halen eerst postzegels op het postkantoor. We kijken even bij de kathedraal in het centrum, maar die is net als de meeste gebouwen gesloten tussen 12:00 en 15:00 uur. Dus besluiten we te gaan lunchen bij het oudste restaurant in de stad, El Delirio. Daarna bezoeken we het museum voor religieuze kunst, net als het museum in Baňos een vreemde verzameling van curiositeiten. Veel kitsch en rare beelden, maar wel een schilderij van St. Rosa, dat ik voor mijn schoonmoeder fotografeer. Teruggekomen in het hotel, verpozen we even in het zwembad. De groep komt rond 19:00 uur terug en een half uur later zitten we aan tafel. De verhalen van de Chimborazo zijn weer spectaculair. Van 4800 naar 5000 meter lopen betekent duizeligheid, heel langzaam voortbewegen. Toch slagen de meesten erin dit in 45 minuten te doen. Trots eten ze boven wat taco’s. Een deel tracht de terugreis per mountainbike te doen, hetgeen voor Pascal bijna fataal is, daar hij zich naar beneden stort met niet werkende remmen! Gelukkig overleeft hij het wonderwel, maar heeft wel wat blauwe plekken doordat hij zich heeft moeten laten vallen. Hij is terecht woedend, krijgt zijn geld terug, maar er zijn wel mooie foto’s gemaakt.

Dag 12 – vrijdag 5 november (van Riobamba naar Cuenca)
We rijden door een vrij droog gebied. Marc vertelt dat in Ecuador de regenval tussen de 50 en 5000 mm regen per jaar zit. Ter vergelijking: in Nederland regent het 200 mm per jaar. Er is dus veel variëteit. Vanuit Riobamba volgen we een deel de route van de trein, die dus niet rijdt. Wel werpen we een blik op het zigzagspoor bij de Duivelsneus, dat ergens in de diepte te zien is. We stoppen bij de kapel in St. Luis, met uitzicht op de Chimborazo, wellicht het meest gefotografeerde plekje in Ecuador! Ook nu weer laat de vulkaan zich onbedekt zien.
De omgeving wordt steeds droger. We passeren de meren van Ozogoche. Daar is een vreemd verhaal over te vertellen. Elk jaar in september storten duizenden vogels zich in het meer en plegen zo collectief zelfmoord. Vanaf het noordelijk halfrond komen dan de Cuvivi, zoals de lokale bewoners de vogeltjes noemen, aanvliegen. De Cuvivi of in goed Latijn, Bartramia longicauda, is een trekvogel die overwintert in de Argentijnse pampa’s. Waarom sommige Cuvivi's het overwinteren verruilen voor een "zelfmoord" is niet bekend. Maar er zijn wel enkele hypotheses: allereerst is er uitputting, de dieren hebben een lange vlucht achter de rug en de zwakkere exemplaren zullen neerstorten. Dat kan natuurlijk, maar waarom nou juist precies ín de meren van Ecuador? Misschien zijn het de zwaveldampen, die uit de meren opstijgen?
In Alausi lopen we een stuk over de treinrails, die wordt hersteld. In het stadje lunchen we lekker in de zon en bekijken de mensen en de markt. Er staan veel indianen voor de bank. Eenmaal per maand krijgen de armsten van de regering 35 dollar steun en dat leidt tot lange rijen voor de bank. Door de vele poncho’s geeft het wel een kleurrijk plaatje.
Langs diepe ravijnen en over grote hoogten vervolgen we onze tocht. We kijken vaak op de wolken neer. In het zuiden wordt het steeds groener en de huizen worden steeds moderner. Veel huizen hebben gekleurde daken (rood, groen, blauw) als eerbetoon aan de regenboog, een overblijfsel van een oud Indiaans bijgeloof. De bergen zijn hier duidelijk wat ouder, meer afgeplat. De vrouwen dragen allemaal witte hoedjes me twee bolletjes. Die hangen aan de voorkant als ze nog vrij zijn en naar achteren als ze bezet zijn.
Bij El Tambo bezoeken we Incapirca, met overblijfselen van een oude Inca-nederzetting. Op 3160 meter hoog staan een mooie Inca zonnetempel en restanten van een maantempel (deze is later door Canari’s, indianen, gebouwd; zij aanbaden de maan als god). De tempels zijn verbonden door een halve boog aan restanten. Incapirca betekent Stenen Muur van de Inca en het complex is aangelegd in de 15e eeuw. Er zijn naast beide tempels pakhuizen, baden, een koninklijke herberg en onderkomens voor soldaten geweest.
In het donker bereiken we Cuenca, de mooiste stad van Ecuador. Moe en na weer lekker eten in het hotel zelf gaan we naar bed. Het hotel Posada del Angel is echt ouderwets met krakende houten vloeren en zou zo uit een of andere oude film kunnen komen. Het ligt midden in de stad en is rumoerig. In Cuenca kan je weer gewoon uit de kraan drinken, wat apart in zo’n land.

Dag 13 – zaterdag 6 november (Cuenca)
In de ochtend worden we eerst gebrieft over de Galapagos. We varen met de Golondrina 2, een klein scheepje met plek voor 16 passagiers en 7 bemanningsleden. We moeten straks in Guayaquil wederom de bagage opsplitsen, omdat er op het schip niet al te veel plek is. Dus stoppen we straks alles wat we nodig hebben in één koffer en laten het overige door Marco met de bus naar Quito brengen.
In de ochtend brengen we een bezoek aan de Panamahoedenfabriek van Homero Ortega. De hoeden worden gemaakt van speciaal stro, de Paja toquila. Hoewel het zaterdag is, krijgen we een uitgebreide rondleiding in de fabriek. Het is boeiend de vele facetten van het hoeden maken te zien en er wordt vandaag zelfs gewerkt in het naaiatelier, waar ze de hoeden van banden voorzien. Ik koop een hoed voor mezelf en Marij koopt een zonneklep voor het golfen. De rest van de dag hebben we een vrij programma. Cuenca heeft prachtige pleinen, de indrukwekkende kathedraal, statige koloniale huizen, een vrolijke bloemenmarkt, en de met kasseien geplaveide straten bepalen het stadsbeeld. We gaan met zijn vieren per taxi naar het bankmuseum, waar een grote tentoonstelling is gewijd aan de etnologie van Ecuador. Allerlei feiten die we reeds hebben gezien worden nog eens uitgelegd. Bij de Italiaan Tuto Freddo op de centrale markt drinken we echte cappuccino, eten ijs en kopen de lunch voor morgen. Aan het einde van de dag internetten we nog met het thuisfront en eten heerlijke pasta in het hotel.

Dag 14 – zondag 7 november (van Cuenca naar Guayaquil)
Op weg naar Guayaquil bezoeken we een van Ecuadors mooiste hooggebergtegebieden, het El Cajas National Park. Het park heeft een oppervlakte van bijna 30.000 hectare waarvan het grootste deel bedekt is met meren, veen en grasland. Cajas betekent koud in het quechua, een van de lokale talen; door de laaghangende bewolking en de hoogte is het er inderdaad koud. We stijgen tot zo’n 4000 meter. Daar liggen ruim 1200 meren in een adembenemende omgeving. Omdat Mariëtte de hoogte direct weer voelt en mijn hoofd ook wat zwaar aandoet, besluiten wij samen met Narda achter te blijven. De rest gaat op pad voor een wandeling van ruim 3 uur. Na een klein uurtje keren Pascal en Kim terug. Kim heeft teveel last van haar verkoudheid en krijgt haast geen lucht. De omgeving is prachtig, er grazen lama’s met jongen en duizenden heel kleine steelloze bloemetjes bedekken de bodem en. We zien Andes-margrieten, het Andes-tulpje, de Andes-valeriaan, een Alchemillasoort (vrouwenmantel), die hier massaal de bodem bedekt, en Achupilla, een aan de Bromelia verwante soort die heel laag bij de grond blijft. Zeer fotogeniek is de nationale bloem van Ecuador, de Chuquiragua, een composiet die met zijn zoete feloranje bloemen een prachtig contrast geeft. Het meest opvallende is de Polylepis lanuginosa, een endemische boom die als enige op deze hoogte groeit. Deze boom wordt ook wel papierboom genoemd omdat het net lijkt of zijn schors bedekt is met allemaal dunne velletjes papier. Deze bomen met hun harde bruinglimmende bast en papierachtige schors geven de omgeving een sprookjesachtig uiterlijk. De lunch, die we gisteren hadden aangeschaft, gebruiken we ter plekke. Als de anderen -ook zwaar onder de indruk van de omgeving- terug zijn, vervolgen we onze rit naar de kust. Tot nu toe hebben we van de vierentwintig provincies van Ecuador er twaalf bezocht. Er zijn af en toe prachtige wolkenpartijen te zien, soms zelfs in drie wolkenlagen! We dalen steeds verder af en komen bij Naranial in laagland. Hier komen geen indianen meer voor. Er wordt veel rijst, cacao en banaan verbouwd. De plantages worden afgeschermd door hagen van teakhout. De koeien, die in de Andes duidelijk een Fries-Hollandse  oorsprong hadden, zijn nu van het Bramaan-ras, een Indische soort. We zien ook veel koereigers en zwarte gieren en in de bamboebosschages krioelt het van slangen. De bevolking die hier leeft is, in tegenstelling tot de hooglanders, veel vuriger en agressiever en er is dus veel meer criminaliteit.
We arriveren aan het eind van de middag in Guayaquil en hebben in hotel Rio eindelijk een bad! Opvallend zijn de kerkhoven waar je langs komt als je de stad binnen rijdt. Omdat de bodem keihard is, stapelt men hier de doden op in een soort pakhuizen tot wel twintig verdiepingen hoog. Marc vertelt dat men soms drie lange gammele ladders moet gebruiken om bij de hoogste graven te komen. De dodenflats zien er inderdaad heel apart uit.  Marc gaat met een kleine groep nog een wandeling maken in de stad, maar wij ruimen onze spullen opnieuw in en splitsen de bagage in het deel voor de Galapagos en het deel dat terug gaat naar Quito. Guayaquil is de tweede stad in Ecuador en telt ruim 2,4 miljoen inwoners (een derde van alle Ecuadorianen woont in Quito of Guayaquil). De stad staat bekend als de gevaarlijkste van Ecuador. Als het niet echt hoeft, kan je in de avond beter in je hotel blijven. Er is buiten veel gedoe rond een kleine brand naast het hotel in een winkelbox. Met zo’n 20 mensen zijn ze chaotisch in de weer de winkel open te breken. Overal vandaan komen brandweer- en politieauto’s. We gaan toch even buiten naar het spektakel kijken en het blijkt uiteindelijk erg mee te vallen.
Het afscheidsdiner met Marc en Marco vindt plaats in het hotel. In een wat lawaaierige ruimte eten we gezamenlijk en Arnoud geeft namens ons allen Marc en Marco een envelop met inhoud. Marc is zichtbaar emotioneel als hij ons bedankt en ook de afscheidswoorden van Marco komen uit zijn hart.
Marij doet nog een kleine was, de onderbroeken voor de Galapagos zijn op!

Dag 15 – maandag 8 november (van Guayaquil naar Santa Cruz)
De vlucht naar de Galapagos verloopt spoedig. Ed en Sylvia zijn er niet bij deze week. De boot kan maar zestien passagiers hebben, en omdat zij als laatsten hadden geboekt, zitten zij op een andere boot en hebben een andere vaarroute. We zullen ze in Quito weer ontmoeten. Marij en ik en Herman en Joke hebben het geluk eerste klas te zitten en na ruim anderhalf uur landen we op Baltra. Gelijk bij aankomst zien we de eerste pelikanen en fregatvogels. We pakken de bus naar de pont naar Santa Cruz en vervolgens worden we naar het zuiden van Santa Cruz gebracht. De rit gaat door dor, vrij vlak gebied vol met lage bomen en cactussen. De zilvergrijze Palo Santo-bomen of Scalesiabomen,  lijken allemaal dood, maar dat is schijn. Omdat de regentijd  binnenkort begint, zullen ze over enige tijd weer volledig groen zijn en pas in mei hun blad weer verliezen. Palo Santo betekent heilige stok, hetgeen vermoedelijk verwijst naar de grote hoeveelheid hars in het hout, dat bij verbranding aan wierook doet denken. In Puerto Ayora ligt de boot op ons te wachten. We worden er met twee panga’s, kleine boten, naar toe gebracht, krijgen onze hutten toegewezen en lunchen aan boord. De hutten zijn klein, hebben stapelbedden en een kleine douche met toilet. We zullen het er de komende dagen moeten uithouden.
Na de lunch bezoeken we onder leiding van de lokale gids Violet de kustplaats en bekijken het Charles Darwin Institute. Daar wordt een aantal van de dieren van de Galapagos getoond, met name de schildpadden en leguanen. Uiteraard zien we Lonesome George, een landschildpad die tussen de 80 en 120 jaar wordt geschat. Het park rondom het Institute doet een beetje kunstmatig aan, maar je krijgt er wel een goede indruk van de grootte van de schildpadden. Er zijn mooie bloeiende bomen, iguana’s, hagedissen, pelikanen en de eerste Darwin-vinken. Ik koop een handig boekje over vogels, waarin ik ze gemakkelijk kan aankruisen.
De eerste indruk van de Galapagos is wat teleurstellend. Waar vroeger schildpadstranden waren zijn nu boulevards met winkeltjes. Het eiland Santa Cruz had 15 jaar geleden nog zo’n 5000 inwoners en nu zijn het er 35.000! Het gaat dus niet echt goed met de eilanden.
Tegen zessen zijn we terug aan boord. Het is nu koud en bewolkt en de fleecetrui blijkt echt nodig. Er is een eerste briefing door de gids Fabricio. Hij stelt de rest van de crew voor, captain  Geoffrey, barman Ronald, de kok Davy en verder Angelo, Luis, Johnny en William. Na het diner zitten we nog wat op het dek en bewonderen de sterrenhemel.

Dag 16 – dinsdag 9 november (Santa Cruz en Santa Fez)
In de ochtend gaan we weer aan land. Het regent inmiddels een beetje. Lijkt een slecht begin voor de Gapalagos, maar uiteindelijk blijkt dat gelukkig allemaal mee te vallen. We bezoeken Los Gemelos, een tweetal grote lavagaten, vele tientallen meters diep, die na een uitbarsting zijn ontstaan en door erosie zijn ingestort. De omgeving is apart en de bomen met hun baardmossen doen een beetje denken aan de Kilimanjaro. We zien onderweg het Galapagosduifje, de Short Eared Galapagos Owl en zelfs de Vermilion Flycatcher, een zeldzaamheid. Als je die ziet mag je een wens doen. Die wens draag ik op aan mijn schoonzus Willy in Nederland, die ernstig ziek is.
Als we aan boord willen gaan, word ik door Fabricio aangesproken. Er is telefoon vanuit Nederland. De schrik slaat me even om het hart, want met twee oude moeders, die allebei niet zo gezond meer zijn, is het spannend. De telefoon blijkt niet voor mij te zijn, maar voor Herman, die niet Barends maar Arends heet. Een begrijpelijke verwarring. Herman krijgt helaas een triest bericht. Zijn enige zus is plotseling overleden. We proberen hem met zijn allen wat moed in te spreken. Na overleg met zijn familie zet hij zijn reis in Ecuador voort.
Na een koffiestop in Puerto Ayora varen we in ruim twee uur naar Santa Fez. Hier wordt aan de verwachting die ik had van de Galapagos weer wat tegemoet gekomen. We wandelen over het indrukwekkend lavalandschap, gelijk te midden van grote groepen zeeleeuwen. We snorkelen er zelfs mee. De schijfcactussen zijn zo groot als bomen en hebben dikke stammen. Ook komen we landleguanen, hagedissen en Darwinvinken  tegen.
Na het diner aan boord varen we naar het volgende eiland Espaňola, een tocht van ruim vijf uur. De zee is zeer onstuimig en een deel van de groep merkt dat direct. Arnoud ziet zijn hele diner de zee ingaan en zelfs Marij houdt het niet binnen. Ik had tevoren al Mareol ingenomen en heb gelukkig geen last. Ik blijf tot 23:30 uur aan dek en ga dan de kajuit in. Daar val ik aan tafel in slaap en wordt rond 01:00 uur door de crew gewekt. We liggen stil in een baai bij Espaňola. Ik ga dus maar de hut in.

Dag 17 – woensdag 10 november (Espaňola)
Na het ontbijt gaan we met de bootjes naar Punta Suarez op het vasteland van Espaňola (dat ook Hood wordt genoemd). Waaauw, dit is pas echt de Galapagos, zoals ik me dat had voorgesteld. Blue footed boobies – een Jan-van-gentsoort met knalblauwe voeten, zeeleguanen, de endemische Hood lavahagedissen en Hood spotvogels, nachtreigers, Nazca boobies of gemaskerde Jan-van-genten, albatrossen, zeeleeuwen, Galapagos buizerds, scholeksters, grote reigers, de zeldzame lava-meeuw, en duizenden Sally Lightfoot krabbetjes. Teveel om op te noemen. Als je een foto maakt van de ene, moet je ervoor zorgen niet op de ander te trappen. En je moet uitkijken niet te dicht bij de zeeleeuwen te komen. Want die kunnen toch wel flink uithalen. We rusten even uit bij het “blaasgat”, een maritieme geiser, waar de zee indrukwekkend beukt tegen de lavarotsen. Rondom ons heen is de bodem bedekt met rode Sesuvium, een soort postelein.
 s’ Middags snorkelen we in Gardner Bay rondom een grote rotspartij. Veel papegaaivissen, roggen en zeeleeuwen. Tegen kwart voor zeven wordt er eerst gebriefd en gaan we aan tafel. Daarna slaan de motoren aan en in een weer zeer ruwe zee (nu niet alleen op en neer maar ook in een schroefbeweging heen en weer) moeten we zes uur varen naar Floreana. De meesten gaan, voorzien van de noodzakelijke pillen, direct naar bed. Doezelen tot midden in de nacht, je goed vasthouden om niet uit bed te vallen. Zo komen we de nacht door. Ook Marij slaapt nu goed.

Dag 18 – donderdag 11 november ( Floreana)
Floreana, ook Isla Santa Maria of Charles geheten, is prachtig. De dag begint zonovergoten. Na het ontbijt worden we weer naar het vasteland gebracht naar Punta Cormorant. Ditmaal met een zgn. wetlanding, zodat je van boord in het water stapt met je schoenen in de hand. We omzeilen de vele zeeleeuwen en lopen naar een grote lagune, waar normaal vele flamingo’s zouden moeten zitten. Er is echter geen flamingo te bespeuren. Er zijn wel mooie strandvogeltjes als strandlopers, poelruiters en de aparte plevieren, en struiken als de geelbloeiende Parkinsonia (wordt hier Palo verde –groene stok- genoemd). Heel af en toe is er een spat sproeiregen, maar toch overheerst de zon. Dat levert een prachtige regenboog op. Aan het eind van de ochtend gaan nog wat mensen langs de kust snorkelen. Het leven aan boord went al, het levert aan wal in ieder geval zeebenen op.
Na de lunch wordt er wat geluierd aan boord, terwijl onze crew voetbalt tegen crews van andere scheepjes. Men leest wat of ligt gewoon in de zon. Vervolgens varen we naar Post Office Bay, waar zich een van de wonderlijkste postkantoren  bevindt , de Post Office Barrel. Al in 1793 deden walvisvaarders er post in en hoopten dat die werd meegenomen door andere schepen. Nu is het geworden tot een toeristische trekpleister. Een houten ton dient als brievenbus en er blijken wat brieven voor Nederland in te zitten. We snorkelen daarna in de baai met een aantal groene zeeschildpadden, die op armlengte onder je mee zwemmen. Ze zijn indrukwekkend groot, meer dan een meter lang. Een botst er tegen mijn buik als hij lucht wil happen aan het wateroppervlak. Ook zeeleeuwen, roggen en een enkele rifhaai laten zich zien.
Na de briefing en het diner gaan we weer op weg. Ditmaal ruim acht uur varen naar Isla Seymour.

Dag 19 – vrijdag 12 november (North Seymour en weer terug naar Quito)
Na weer een onstuimige nacht – je went er aan- bezoeken we het eiland Seymour, een klein zeer vulkanisch eiland. We wandelen heel vroeg in de ochtend ruim anderhalf uur en zien grote groepen fregatvogels met hun rode keelzakken, bruine pelikanen, noddies – een soort zwarte sterns, blue footed boobies, albatrossen, zeeleguanen, spotvogels, Sally Lightfoot crabs en veel meer. Het is werkelijk een prachtig eiland. De schijfcactus, Opuntia zaccana, die alleen hier voorkomt, is nu laag.  Verder is het eiland bedekt met lavarotsen, stenen en prachtig rood gekleurd Sesuvium, en soort postelein. Aanvankelijk loop ik als een zombie over het eiland. De zee zit overduidelijk in mijn benen. Dat is gelukkig na zo’n half uur weg. Na het ontbijt gaan we op weg naar Baltra en vliegen vervolgens via Guayaquil naar Quito. Het is erg bewolkt, dus er zijn geen mooie uitzichten. Vanaf Guayaquil zitten Marij en ik weer business.
Quito ligt in de regen en Marc is weer terug! Hij heeft van Djoser toestemming gekregen ons de komende dagen te begeleiden. We zitten weer in hotel El Arupo, waar we ook Ed en Sylvia weer tegenkomen. Vandaar lopen we in de stromende regen naar een Italiaans restaurant.  We hebben wel veel last van zee- en vliegbenen. Zowel Pieter als ik staan af en toe te shaken. Tegen tienen zoeken we ons bed op.

Dag 20 – zaterdag 13 november (Quito)
Vandaag de hele dag Quito. De zee is iets uit de benen en het wordt een dag sightseeing en shoppen. Marc heeft ons weer een goede plattengrond van de stad meegegeven en we lopen via de Reine Victoria naar El Ejido en El Belen, twee grote parken, waar naast picknickers, voetballende jeugd en kinderspeelplaatsen de vaste stalletjes van de straatverkopers staan. Omdat ik mijn Panamahoed in het vliegtuig heb laten liggen, kopen we op de markt een nieuwe en dit keer veel goedkoper. Ik word voor slechts 10 dollar weer een hoed rijker. Ook zoeken we in een paar bookshops naar de Fieldguide van de Gapalagos, die Fabricio had. Helaas konden we die niet vinden (achteraf gewoon in Nederland bij bol.com besteld). We drinken koffie bij een alleraardigste dame, die voor de groep een aantal kopieën maakt van de foto-cd van het raften. Vervolgens lunchen we bij de Mac. Ook hier kan je rustig sla en ijsklontjes in de cola gebruiken. Marc vertelt ons dat de meeste Ecuadorianen ook ziek worden van het kraanwater. Alleen de allerarmsten drinken het. Dus dat betekent dat in alle restaurants men het eten en drinken bereidt met schoon water. Pieter en ik keren terug naar ons hotel, terwijl de meiden verder shoppen. Ze komen pas aan het eind van de middag terug. Als we naar het restaurant lopen, verbazen we ons over de grote drukte op straat. Honderden jongeren flaneren door de straten en over de pleinen van de wijk Mariscal Sucre. Er wordt gedronken en gedanst. Dat schijnt zo elk weekend te zijn.
We besluiten de reis met de groep met een gezamenlijk eten samen met Marc. Daar maken we de laatste foto’s van elkaar, nemen alvast afscheid van Peter en Marianne, die niet meevliegen, maar in Ecuador hun dochter gaan opzoeken, en gaan wat weemoedig tegen 23:00 uur naar bed.

Dag 21 – zondag 14 november (van Quito naar Bonaire)
De vlucht naar Bonaire verloopt rustig. Wel laat ik me op de luchthaven nog masseren door een dame, die me in een kwartier van een stijve nek en stijve schouders afhelpt. We hebben gelukkig van tevoren de stoelen in het vliegtuig kunnen bevestigen, zodat Pieter en Mariëtte weer aan het gangpad zitten.
Bonaire is warm als we uit het vliegtuig stappen. We nemen hier afscheid van de meeste groepsleden, alleen Herman en Joke blijven ook hier achter. De anderen zullen nog zo’n 8 uur doorvliegen en morgenvroeg thuis zijn. Onze huurauto bij Hertz, een ruime Suzuki, is gauw gevonden. Even wennen aan de automatische koppeling, maar als ik dat onder de knie heb, rijden we de 6 kilometer onder stralende zon naar Kontiki Beach resort bij Lac Bay. Als we dat bereiken en de auto uitstappen, worden we belaagd door duizenden kleine muggen. Het heeft de afgelopen dagen geregend, het is windstil en het resort ligt aan een lagune met veel zwarte mangrove. Samen met de warmte zijn dus alle ingrediënten aanwezig om het de muggen goed naar hun zin te laten hebben. Marij wordt gelijk bijna lek gestoken, hetgeen haar een dik gezicht oplevert. Dat valt tegen.
Aan het einde van de middag gaan we naar Kralendijk, de hoofdstad van Bonaire, en lopen daar wat rond. Daar ontmoeten we Herman en Joke, die we de komende dagen nog vaker zullen tegenkomen. Zij zitten in een hotel in Kralendijk. We zien de eerste troepialen en andere vogels. Tijdens een pilsje op de pier bij Karels Beach Bar genieten we wat van de live muziek, en eten we aan de boulevard. Marij reageert wat allergisch op de muggenbeten, voelt zich niet zo lekker en gaat vroeg naar bed. Pieter, Mariëtte en ik spelen nog een potje Yahtzee (heb ik dat toch niet voor niets meegenomen).
Dag 22 – maandag 15 november (Bonaire)
Na een regennacht doen we eerst boodschappen, zodat we kunnen ontbijten. Vervolgens gaat de zwembroek aan en zoeken we naar een geschikte plek om te snorkelen. Na lang zoeken vinden we een plekje bij het vliegveld. De zee ten noorden van Kralendijk is nog steeds behoorlijk ruw door de restanten van de orkaan Thomas, die vooral op Curaçao flink heeft huisgehouden. Het zicht onder water is matig door het vele zand, dat wordt opgewoeld. We gaan op weg naar Rincon . Onderweg kijken we bij de zee naar de woelige golven. Het lijkt wel wat op Boka Tabla op Curaçao. We lunchen in Rincon uitgebreid in een lokale eetgelegenheid. Hier staan Sinterklaas en de Kerstman al naast elkaar te wachten op wat komen gaat. Men accepteert geen euro’s (hoewel dat na 1 januari 2011 verplicht wordt). Omdat we niet genoeg dollars hebben, lukt het uiteindelijk wat geld te pinnen. Daarna gaan we op ons gemak naar het appartement, drinken een pilsje, lezen de krant. Kortom, we rusten wat uit van de reis. Marij voelt zich gelukkig al wat beter.

Dag 23 – dinsdag 16 november (Bonaire)
Na weer een regennacht gaan we onder bewolking via Rincon naar het noorden van Bonaire, waar het nationaal park Slagbaai is gelegen. Het regent flink onderweg, maar als we het Gotomeer benaderen, houdt het op met regenen en hebben we een prachtig uitzicht.  Bij de ingang van het nationale park blijken we niet naar binnen te mogen. Het park is sowieso gesloten wegens de slechte toestand van de wegen. Maar bij goed weer is toch ook een vierwiel aangedreven auto nodig en die hebben we niet. Dus rijden we terug naar Kralendijk. Bij het Plaza hotel kijken we of we neef Jeroen, die piloot is bij de KLM, kunnen vinden. Hij blijkt uit te rusten bij een van de surfscholen aan Lac Bay.  We snorkelen bij Sorobon , waar het water gelukkig heel helder is. Lac Bay is daar ondiep, dus de vissen zwemmen direct onder je. Wel oppassen voor de zee-egels.
Jeroen weet ons te bellen en we halen hem aan het eind van de middag op bij Plaza en eten met hem bij een van bekendste restaurants op Bonaire, It Rains Fishes. We eten heerlijke vis en pasta. En inderdaad, het is lekker. Wel zijn de prijzen weer echt Hollands. Jeroen heeft nog geprobeerd ons vliegtuig naar Nederland te vliegen, maar dat lukte hem niet. Hij moest toch eerst op en neer naar Quito en keert pas zondag terug.
Na een afsluitend pilsje zoeken we ons bed op.

Dag 24 – woensdag 17 november (Bonaire)
Vandaag rijden we langs de zuidkant van het eiland, waar de zoutwinning plaats vindt. Grote bassins, in allerlei kleuren afhankelijk van het verdampen van het zeewater, en hoge zoutbergen zijn het decor, waartegen destijds slaven hun slavenwerk verrichtten.
In Kralendijk drinken we op de pier bij Karels Beach Bar koffie en gaan snorkelen bij Andrea 2, een baai ten noorden van Kralendijk in een chique wijk, waar o.a. Hennie Huisman zijn huis heeft. Onderweg zijn veel duikers actief. Voor het echte relaxte snorkelen is de zee echter toch nog steeds te ruw, jammer…..
Halverwege de middag gaan we terug naar ons appartement, we lezen wat, luieren, borrelen en eten. Pieter heeft al twee dagen wat last van zijn darmen en gaat aan de pillen.

Dag 25 – donderdag 24 november (van Bonaire naar huis)
De dag begint bewolkt en het begint al snel te motregenen. Het is evenwel nog steeds tropisch warm (zo’n 27 graden). We ontbijten uitgebreid en wachten al lezend tot het eind van de ochtend. Als we naar het vliegveld willen gaan, regent het echt hard en dat blijft het voorlopig doen.  Op het vliegveld moeten we zelfs hard lopend het toestel in. Na een vermoeiende vlucht (het slapen wil bij mij nu niet echt lukken) komen we op Schiphol aan. We drinken daar onze eerste Nederlandse koffie en nemen afscheid van Pieter en Mariëtte.
De trein brengt ons veilig tot aan Ede-Wageningen en Marc brengt ons veilig verder naar huis…………
 

Natuurbehoud op de Galapagos eilanden

Tijdens verschillende reizen met Djoser aan Ecuador is een bezoek aan de bijzondere Galapagos eilanden mogelijk. De eilanden zijn een fascinerende bestemming waar de tijd lijkt te hebben stilgestaan en waar je de verschillende endemische diersoorten van dichtbij kunt bewonderen. Er wordt slechts een beperkt aantal toeristen per jaar toegelaten op deze eilandengroep, zodat de prachtige flora en fauna niet teveel te lijden heeft. Vergaap je tijdens een rondreis aan de bijzondere vogels als de Blauwvoet jan-van-gent, zeeleeuwen en de reuzenschildpadden waaraan de eilanden hun naam ontlenen. Galapagos betekent namelijk schildpad in het Spaans.