Een reisverhaal van Anil Ramdas
De slechte Tibetaan
Dharmsala was drukker geworden. Er waren nu ook veel meer toeristen
die niet alleen de spirituele kracht van de Dalai Lama, maar ook het
zicht op de eeuwig besneeuwde toppen van de Himalaya wilden ervaren.
Precies vijf jaar geleden had ik Dechen ontmoet, maar vijf jaar is
lang in het leven van een meisje van achttien. Eigenlijk had ik vooral
haar vader leren kennen, Tsering Dondup Dongshi, de "slechte Tibetaan",
zoals hij zichzelf noemde. Hij geloofde wel in de Dalai Lama, maar
evengoed in Bob Marley, als liefhebber van reggae-muziek. Hij wilde wel
terug naar Tibet, maar eigenlijk liever naar Amerika, omdat zijn vrouw
daar al was.
Tsering bezat een restaurant in Dharmsala, een dorp in de Indiase
deelstaat Himachal Pradesh, waar de Dalai Lama in ballingschap ging.
Tsering was zelfs de eerste die er een Tibetaans restaurant begon. Ik
had daar noodle-soup besteld, toen ik plotseling Get up, stand up van
Bob Marley & the Wailers hoorde. Hard en snerpend. Ik keek rond, op
zoek naar het geluidsboxje, maar kon het nergens vinden. Nee, toch niet
verborgen achter het portret van de
Dalai Lama? Jazeker, giechelde Tsering. Niet uit oneerbiedigheid
tegenover de geestelijke en wereldlijke leider van het Tibetaanse volk.
Maar om de vliegen om hem heen, zoals hij de monniken beschreef, te
provoceren.
Tsering was een lieve clown, maar de vluchtelingen uit Tibet
houden niet van clowns. Tsering maakte openlijk lol, hij zette muziek
op van Bob Marley en van Santana en Pink Floyd, omdat hij dat mooi
vond. De monniken vonden dat ongepast. Vluchtelingen moeten nederig en
zielig zijn, vonden ze. Ze moesten hun verdriet laten zien, aan het
gastland India, en aan de hulpverleners uit Europa en Amerika.
Toen de Amerikaanse filmster Richard Gere een keer langs reed en
Tsering vanuit zijn deuropening riep: "Mr. Gere, Mr. Gere, I've got no
place else to go", de beroemde zin uit de populaire film van Gere, An
Officer and a Gentleman, waren de monniken niet geamuseerd. Richard
Gere is namelijk een belangrijke ambassadeur van His Holiness. De
monniken waren zelfs zo boos, dat ze die avond zijn restaurantje in
brand staken.
Tsering kon er verbitterd over praten, hij noemde de staf van de
Dalai Lama de Tibetaanse maffia, maar direct daarna giechelde hij weer,
met twinkelende pretoogjes. Zijn humeur was nu opperbest, omdat zijn
vrouw een Greencard in Amerika had bemachtigd. Als ze binnen twee jaar
kon aantonen dat ze zich zelfstandig in leven kon houden, met de
verkoop van zilveren sieraden in New York, mochten Tsering en zijn
dochter overkomen.
"Amerika," zei Tsering, "is de hemel waar alle Tibetanen van dromen."
Het bracht me op het idee om zijn dochter, toen achttien, te
spreken. En ik was verrast. Door het ernstige gezicht van Dechen, de
strenge lijnen er in, en haar fascistisch aandoende ideeën. Zo wilde ze
nooit met een ander trouwen dan met een Tibetaan. Ook al was ze in
India geboren en getogen, ook al had ze haar hele leven naar Indiase
muziek geluisterd en had ze alle Indiase films gezien, een Indiër
bliefde ze niet. Een Chinees nog minder, om evidente redenen. Als ze
trouwde, trouwde ze met een Tibetaan. En ze wilde twaalf kinderen,
zodat er veel Tibetanen ter wereld kwamen, om te compenseren voor het
feit dat de Chinezen een miljoen Tibetanen hadden vermoord.
Het klonk me allemaal zo berekend en gevoelloos in de oren, dat ik
het meisje nog eens wilde spreken, maar dit keer niet in het restaurant
van haar vader. Ze keek schichtig en onzeker, en zei fluisterend: "Kom
morgenmiddag naar de tempel achter de waterval."
Toen ik er kwam bleek ze niet alleen te zijn. Er was een jongen
bij haar. Hij keek even somber als Dechen, je zou bijna denken dat het
broer en zus waren. Maar hij was niet haar broer. Hij was haar, Dechen
aarzelde even, liet me geheimhouding beloven; hij was haar echtgenoot.
Ze waren in het geheim getrouwd, haar vader wist er niets van, mocht er
nooit iets van weten. Want haar man, zijn naam noemde ze geen moment,
haar man was een guerrillastrijder die de Chinezen met geweld wilde
verdrijven uit Tibet.
Het klonk zo onwaarschijnlijk en onmogelijk, dat ik geen
interesse toonde in de militaire activiteiten van de man van Dechen.
Het enige wat ik wilde weten was hoe Dechen het haar vader zou
vertellen, die ervan droomde een toekomst met zijn gezin in Amerika op
te bouwen. Dechen aarzelde. Er was zelfs een mengsel van tederheid en
angst op het anders zo koele gezicht te lezen. "Ik zal zien," zei ze,
"als het zover is."
Dat was vijf jaar geleden. Nu ging ik weer naar Dharmsala, in de
hoop haar te vinden, of tenminste iets te weten te komen over haar
wederwaardigheden. Dharmsala is vanuit Delhi moeilijk te bereiken. Je
kunt er met een vliegtuigje naar toe, maar het is nooit zeker of het
toestel opstijgt, vanwege de weersomstandigheden in het dorpje op de
berg, op bijna twee
kilometer hoogte. Je kunt er per trein komen, maar de trein stopt
bij de voet van de berg. Dus nam ik een auto, een Tata Sumo, zo'n
robuust uitziende terreinwagen die helemaal geen terreinwagen is. Het
is een Indiaas busje in de vorm van een terreinwagen.
De rit duurt bijna twaalf uur, als je in één ruk doorrijdt, en je
moet soms over rivierbeddingen en langs omwegen van veertig, vijftig
kilometer, als de officiële weg door een aardverschuiving tijdens de
regens is geblokkeerd.
Dharmsala was drukker geworden. Er waren nu veel meer hotels en
restaurants. Er waren ook veel meer toeristen die niet alleen de
spirituele kracht van de Dalai Lama, maar ook het zicht op de eeuwig
besneeuwde toppen van de Himalaya wilden ervaren.
De volgende ochtend liep ik naar het restaurantje van Tsering. Het
gebouw stond er nog, maar het was nu een woonhuis. "Tsering", zei een
oude Tibetaanse man die de deur opende, en hij deed eerst alsof hij
diep nadacht. En na een paar spannende minuten: "Die is naar Amerika."
Ik weet niet waarom ik een zucht van verlichting slaakte. Ik was
blij voor hem, blij dat zijn droom was uitgekomen. "En Dechen," vroeg
ik. Nu keek de oude man alsof hij nooit van die naam gehoord had.
"Dechen?" vroeg hij aan mij. Ik zweeg. Hij zweeg. Toen keerde hij zich
om en riep naar iemand die in het huis was.
Een vrouw verscheen in de deur, die haar handen afveegde aan haar
rokken. De man sprak in het Tibetaans met haar, ik hoorde de naam
Dechen. De vrouw keek me aan. "Why you want to know?" vroeg ze. De oude
man had hindi gesproken. Zij maakte het afstandelijk, door het Engels
te bezigen. Ik vertelde dat ik bevriend was geweest met haar. Dat ik
haar had geïnterviewd.
Ze bleef mij argwanend aankijken. Toen zei ik, wetend dat Tsering
al in Amerika was, waarschijnlijk wild dansend op Bob Marley in The
Bronx, dat ik ook haar 'echtgenoot' had ontmoet, met wie ze in het
geheim was getrouwd. Toen stuurde de vrouw de oude man naar binnen. Ze
sloot de deur achter zich en ging zitten op de natte stoep. Ze gebaarde
mij ook te komen zitten. Ze was de tante van Dechen, vertelde ze,
Tsering's zus. Nu ze het zei, kon ik het
zien. Een vrolijk gezicht, maar ze had geen pretoogjes. "Dechen is al twee jaar dood."
Zelfmoord. Zij en haar man sprongen van een klif. Ze had voor ze
stierf nog een dochter gebaard, die de zus ook Dechen had genoemd.
Tsering wilde niets van zijn kleinkind weten.
Ik liep die middag door Dharmsala. Het regende toepasselijk. En
als het even niet regende, hingen de wolken zo laag dat je nog geen
tien meter voor je uit kon zien. De vorige keer dat ik hier was, was
het zonnig en stonden de bergen groots en trots te wezen. Nu waren ze
zo treurig, zo verborgen, zo vol leed en schaamte. En dat in maar vijf
jaar.
Biografie
Anil Ramdas publiceerde bij de Bezige Bij de essaybundels "De
Papegaai, de stier en de klimmende bougainvillea" en
"Beroepsherinneraar en andere verhalen". Vorig jaar verscheen van hem
"Het Geheugen van de Stad. 10 verhalen", een familiekroniek van
migranten in Rotterdam. Ramdas is columnist en correspondent in India
voor NRC Handelsblad.
