Reis zoeken

Soort reis

Regio

Met oog voor

Reisduur

Vertrekperiode

Prijs

Het Tanzania zonder afritsbroeken (door Yvonne Kroonenberg)

Ik heb een volgzaam karakter. Daar ben ik niet trots op, maar het is niet anders. De meeste gebeurtenissen in mijn leven hebben plaatsgevonden doordat ik achter een man aanliep of iets deed dat moest van een werkgever. Sinds ik van een tropenarts hou, ben ik binnen twee jaar zeven keer in Tanzania geweest.

Als je zo vaak in een land komt, woon je er een beetje.
Ik heb twee adressen, een in een verre uithoek van Tanzania waar de tropenarts werkt en een in de hoofdstad, waar ik logeer als ik op doorreis ben. Dat is bij een tropenartsen-echtpaar. Hun huis staat altijd voor mij open en ze vinden dat ik mij vooral geen toerist mag voelen.
"Zul je nooit een afritsbroek kopen?", zei de man van het echtpaar laatst, toen hij mij ophaalde van het vliegveld.
Ik keek hem verbaasd aan.
"Waarom niet?", vroeg ik. Het leek mij juist wel een handig kledingstuk, zo'n broek waarvan je de pijpen kunt afritsen wanneer het te warm wordt. 's Avonds als het afkoelt en er allerlei enge beesten komen prikken, rits je ze weer aan.
"Afritsbroeken zijn voor overlanders", verklaarde hij plechtig, "en voor safarigangers."
"Wat zijn overlanders?", vroeg ik.
Het bleken reizigers te zijn, die in een open vrachtauto door Afrika trekken, van het ene naar het andere land. Ze krijgen twee liter water per dag om te drinken en om zich mee te wassen en ze slapen op primitieve slaapplaatsen. Ze zien er in de ogen van een grotestadsbewoner misschien wat afgetobd en verfomfaaid uit, maar ze maken de reis van hun leven.
Heel anders zijn de safarigangers. Zij vormen de grootste groep toeristen die Tanzania bezoeken. Ze rijden door de wildparken en zien van het land, behalve de wilde dieren, alleen de dure lodges. Dat is wel een beetje jammer.
Want buiten de betoverende Serengeti bestaat nog een ander Tanzania, de wildernis waar de mensen wonen.
Daar kun je als reiziger ook komen, al is die wereld wat moeilijker toegankelijk dan die van de safariparken.
Tanzania heeft maar een paar asfaltwegen, die in de buurt van de meest bezochte plaatsen liggen, Arusha, Dodoma, Dar es Salaam en Mbeya. Daar voorbij voert de reis langs donkerrode zandwegen, die in de droge tijd zo stoffig zijn dat de struiken die er langs groeien bedekt zijn met een rossige laag poeder. In de regentijd zijn ze wekenlang onbegaanbaar voor auto's die geen vierwielaandrijving hebben en niet ijzersterk zijn. Er zijn niet veel auto's in Tanzania. De meeste mensen gaan te voet, met loodzware bagage op hun hoofd, op een fiets of op een kar die wordt getrokken door ezeltjes of ossen.
Het zijn vooral de mannen die fietsen. Zij dragen maar zelden iets op hun hoofd. Ze kunnen het ook niet allemaal. Ik heb eens een aardrijkskundeleraar gesproken die uitlegde hoe dat zat: alleen mensen die geen vervoermiddel kunnen betalen, geen ezel of een ossenkar, geen fiets of een auto, leren hun lasten op hun lichaam te dragen en het hoofd is daar verreweg het meest geschikt voor. Vooral arme mensen, en van hen weer voornamelijk de vrouwen, leren enorme gewichten op die manier te tillen en te vervoeren.
Ik heb het vaak gezien. 's Ochtends vroeg lopen rijen vrouwen en jonge meisjes met kleurige plastic emmers naar de dichtstbijzijnde bron om water te halen. Ze leggen bladeren op de volle emmer om te zorgen dat het water niet over de rand kan klotsen. 's Middags zie je vrouwen met zware boomstammen lopen, brandhout of bouwhout, dat weet ik niet.
Als je eenmaal zo ver van de asfaltweg bent afgedwaald, zie je vrijwel geen toeristen meer. De buitenlanders die je tegenkomt zijn hulpverleners. Ze bouwen ziekenhuizen, scholen en hulpposten. Ze graven waterputten en geven injecties. Afritsbroeken zie je daar niet.
Ik dacht eerst dat die reizigers misschien nog nooit een Tanzaniaanse olifant of een giraf zijn tegengekomen, maar dat schijnt mee te vallen.
Van een van de vrijwilligers die ik in de buurt van Tabora tegenkwam hoorde ik, dat je ook door een wildpark kunt reizen zonder een dure toegangskaart te hoeven kopen.
De trein van Dar es Salaam naar Mbeya rijdt overdag door de Selous. 's Nachts rijdt hij weer terug, maar soms heeft hij vertraging en zie je tegen de ochtend toch nog heel wat wild.
Er zijn plaatsen buiten de omheinde wildparken van Mikumi en Arusha waar ook olifanten lopen en zebra's grazen.
Avontuurlijke reizigers vinden dat het mooist.
Maar Tanzania is geen land om onbekommerd op verkenning uit te gaan. Je moet een beetje oppassen. Onderweg over de zandwegen passeerde ik dorpen die uit lemen hutten bestonden en een enkel betonnen bouwsel.
Hoteli stond er op de muur geschreven in half afgebladderde letters.
"Dáár wil ik een nacht logeren!", riep ik meteen toen ik zo'n uitspanning zag.
"Dat is geen hotel", zei mijn reisgezel, de tropenarts, "hoteli betekent restaurant. Als er guesthouse of guesti op de muur staat is het een hotel, maar daar moet je beslist niet gaan slapen. Dat is niet veilig."
Tanzanianen zijn arm en bezoekers uit de oude en nieuwe wereld zijn rijk. Dat vindt iedereen jammer. Bewoners van welvarende landen proberen het verschil recht te trekken door ontwikkelingsprogramma's en cadeautjes.
Sommige Tanzanianen hebben een snellere methode.
Daar worden toeristen verdrietig van. Wanneer je op reis wordt bedrogen of bestolen, kun je niet meer zoveel van een land houden. Het helpt enorm als je rekening houdt met de omstandigheden en de kansen dat er iets akeligs gebeurt beperkt.
Tanzania is een land dat zich net zo min laat temmen als de wilde dieren die er wonen.

Yvonne Kroonenberg

Yvonne Kroonenberg (1950) is klinisch psycholoog, maar dat beroep heeft ze maar vijf jaar uitgeoefend. Sinds 1980 schrijft ze, eerst alleen voor NRC Handelsblad en later voor allerlei tijdschriften. Ze schrijft columns, reisverhalen, jeugdromans en verhalen over de liefde, die zijn samengebracht in zes bundels. In september 2004 verschijnt een meisjesboek over de liefde.

Gnoetrek zien in Kenia en Tanzania?

In Kenia en Tanzania vindt ieder jaar de grote migratie van gnoes, zebra’s en gazellen plaats. Een ongelofelijk mooi en indrukwekkend schouwspel. Ongeveer 1,5 miljoen dieren trekken over de vlaktes van de Serengeti. Zodra het hier erg droog wordt, trekken de dieren richting de Masai Mara in Kenia op zoek naar voedsel. Voor de roofdieren, zoals de leeuw en het jachtluipaard, breken dan slechte tijden aan, want zij zijn territoriaal gebonden en trekken dus niet met het wild mee.
Op reis met Djoser in Kenia en Tanzania kun je de gnoetrek zien, afhankelijk natuurlijk van de periode waarin je gaat. Van half november tot half april bevinden de gnoes en de zebra’s zich in het zuiden van de Serengeti. Vanaf mei/juni trekken ze noordwaarts naar de noordelijke parkgrens van de Serengeti en tussen juli en oktober kruisen ze de Mara rivier en zijn dan in de Masai Mara in Kenia, van waaruit ze eind oktober weer naar Tanzania terugkeren.