Indonesië

Indrukken van een Djoser reis naar Sumatra, Java, Bali en Lombok

Indrukken van een reis naar Sumatra, Java, Bali en Lombok

van 8 september t/m 9 oktober.

Door Rob Lubbersen

Donderdag, 8 september.

Om 12 uur ’s middags begint op Schiphol de Djoser-reis nummer SJBL150809 naar Indonesië. In een Boeing 747 van Malaysia Airlines vliegen we over Nederland, Duitsland, Polen, Oekraïne, Rusland, de Kaspische Zee, Kazachstan, Toerkmenistan, Iran, Afghanistan, Pakistan, India, Burma en Thailand naar Kuala Lumpur, de hoofdstad van Maleisië. Onder ons trekt een wereld voorbij waar van alles gebeurt waar we nauwelijks weet van hebben. Op gemiddeld 10 km hoogte wordt er genoeglijk gepraat, gelezen, een film bekeken, gegeten, gedronken en geslapen. En naar een scherm gekeken waarop steeds weer wordt aangegeven in welke richting Mekka ligt. Zodat je die kant op zou kunnen buigen, als je dat zou willen.

Vrijdag, 9 september.

‘s Ochtends vroeg, het is nog donker, naderen we Kuala Lumpur. De duizenden lichtjes op de grond – van huizen, kantoren, fabrieken en snelwegen – laten zien dat we hier met een welvarend stukje Azië van doen hebben. De luchthaven van Kuala Lumpur is koel, schoon, modern en uitgestrekt. Om bij het vliegtuig te komen dat ons naar Medan zal brengen, verplaatsen we ons met een soort metro.

De luchthaven van Medan, de hoofdstad van Sumatra, oogt heel wat soberder. Daar maken we kennis met de reisbegeleider Nettert "Ned" Smit. En met de rest van het reisgezelschap, 22 man en vrouw sterk.

Medan is schroeiend heet. In een bus van Pariwisata, de vervoersmaatschappij die een maand lang voor het transport zal zorgen, laveren we door het drukke en stinkende, links rijdende verkeer van ontelbare brommers, auto’s en vrachtwagens. Urenlang rijden we langs oneindige laagbouw met een aaneenschakeling van werkplaatsen, winkeltjes, kraampjes en stalletjes. Links en rechts: drank, snoep, sigaretten, groenten, fruit, drogisten, kappers, ‘doorsmeer’ (wasplaatsen voor brommers en auto’s), speelgoed, kleding, maar ook uitstallingen van zilveren koepels en zilveruivormige toppen voor de daken en minaretten van moskeeën. Een heel kleurrijk, slordig en levendig geheel. De levendigheid wordt nog vergroot door de grote hoeveelheid mensen op straat. Velen, en er zijn er vélen, lachen en zwaaien naar onze bus, de mannen met een kretek-sigaretje tussen de vingers. Pas na een uur of twee verandert het beeld. De winkeltjes en huizen maken plaats voor keurig in het gelid staande, onafzienbare rijen palmbomen. Voor de palmolie-industrie. De weg tussen deze tropische, megagroene aanplant door wordt steeds smaller en slechter. De bus hobbelt over talloze gaten en kuilen. Het asfalt wordt kapotgereden door vrachtwagens volgeladen met palmvruchten. De olie-boeren en de lokale overheid zijn kennelijk niet bereid of in staat om deze publieke voorziening behoorlijk te onderhouden. Het maakt van de Sumatra National Highway wel een lachertje, meer een National Holeway. Geschud maar heelhuids arriveren we in Bohorok. En nemen we, na via een wankele loopbrug een vrijwel droge rivierbedding te zijn overgestoken, onze intrek in Hotel Bukit Lawang Cottage. En na een maaltijd van Cap Cai met Nasi Putih en Bintang is het goed rusten in een door een klamboe omhuld stevig bed.

Zaterdag, 10 september.

Ontbijt met Mi of Nasi Goreng! Daarna gaan we onder begeleiding van een plaatselijke gids wandelen door de jungle. De gids wordt vergezeld door enkele overbehulpzame jongeren. Ongevraagd wuiven ze koelte toe, helpen ze bij het klimmen en dalen en praten ze voortdurend tegen je aan. De wandeling is verder pittig, warm en lang, bijna 4 uur. Maar er valt ook veel te zien. We spotten een groene mamba op een boomtak, we stappen net niet op reuzenmieren van bijna 5 cm, we komen oog in oog met drie orang oetans, prachtige vlinders fladderen om ons heen, we lopen tussen bananenbomen, rubberbomen, rotan, bamboe, imposante merantibomen en we zien Makaken aan lianen slingeren van de ene naar de andere woudreus.

Na een rustige middag wordt bij de avondmaaltijd de verjaardag van één van de groepsleden gevierd. Er is serpentine, er zijn hoedjes, er is taart, maar vooral is er een, door het hotelpersoneel van bananenboombladeren vervaardigde, junglekroon voor de jarige. Dat levert mooie plaatjes op. Jongens uit de kampong omlijsten het feestje met muziek. Die muziek is van matige kwaliteit, maar het plezier is er niet minder om. Ook de Bintang doet z’n best…Daarna zijn er de geluiden van de nacht. Een licht gesnurk vanuit een enkele kamer, overstemd door de geluiden uit de jungle: krekels, kikkers en kevers. Tegen de dageraad komt daar het gekraai van de krielhanen uit de kampong bij.

Zondag, 11 september.

We staan vroeg op en ontbijten wederom met Nasi Goreng.

Bij een panoramastop onderweg zien we vliegende honden in een kooitje. Lunchen doen we in Brastagi, de plaats die in de beroemde roman "Rubber" van Madelon Szekely-Lulofs een belangrijke rol speelt. Verderop bezichtigen we een Batak-paleis. Daar raken we aan de praat met een groepje autochtone middelbare scholieren. Een van de jongens vraagt: "What do you think of the political, economic, cultural en religious situation in Indonesia?" Na drie woorden ter beantwoording haakt hij al af, omdat zijn Engels toch niet zo goed is als de waarschijnlijk uit zijn hoofd geleerde vraag deed veronderstellen. Desondanks is er contact: deze jongeren zijn vrolijk, goedlachs, vriendelijk, nieuwsgierig en willen graag hun Engels oefenen. Er worden wat e-mail-adressen uitgewisseld. Aan het eind van de middag varen we met de boot over het Toba Meer naar Tuk Tuk op het eiland Samosir.

Maandag, 12 september.

Met een deel van de groep maken we op gehuurde brommers, lichte motoren eigenlijk, een rondtour over Samosir. Langs weilanden met waterbuffels en buffelende boeren. Glooiende bergen op de achtergrond. Bloemen in allerlei kleuren geuren onder een strakblauwe hemel. Opvallend zijn de vele kapelletjes en grafmonumenten langs de weg. Overal waar we langsscheuren zwaaien de mensen naar ons, en zeker de kinderen in hun smetteloze schooluniformen met witte bloes en donkerblauwe broek of rok. Drie liftende autochtone dames vragen en krijgen een lift achterop de brommer. Dat zorgt voor veel vrolijkheid bij hen en bij omstanders. We bezoeken het Batak Openluchtmuseum en wonen daar een traditionele dans bij. Niet veel later komen we terecht in een écht Batak-dorp, met z’n karakteristieke zadeldak-huizen op palen. De kinderen drommen om ons heen en willen graag op de foto. Vriendelijkheid is troef. Wat verderop stoppen we bij een Pos Imunisasi, een soort consultatiebureau en medische post. De twee dienstdoende verpleegsters verwelkomen ons alsof ze onze komst verwacht hadden en geven een korte rondleiding. Er hangen mooie, ‘ouwerwetse’ wandplaten waarop o.a. het belang van gezond eten wordt aangeprezen.

Het verste punt van de tocht wordt gevormd door de zwavelbaden van Hot Springs. Over gele rotsen en gruis en gehuld in de stank van rotte eieren klauteren we naar de bron, daar waar het kokende water de vulkanische berg uitsijpelt. Weinigen nemen daarna nog een duik in één van de warm meurende baden. Met een ter plekke geconsumeerde Pisang Goreng in de buik wordt de terugweg aanvaard. Slalommend tussen de kuilen in de weg tuffen we terug naar Tuk Tuk. ’s Avonds staat er o.a. Ikan Goreng en Gado Gado met Nasi Putih op het menu.

Dinsdag, 13 september.

Om half zes uit de veren. Met de boot weer het Toba Meer over en de bus in. We maken korte stops bij een ananas- en bij een koffieplantage. In een dorp bezoeken we een markt waar ze ‘echte’ Reebok-rugtassen voor 25.000 roepia (2 euro) verkopen, maar niet heus. Bij het afrekenen van de lunch probeert de man aan de kassa een wisseltruc uit te voeren: verfrommelde biljetten van 1000 roepia wil hij laten doorgaan voor die van 10.000. Dat mislukt en iedereen blijft glimlachen. Een groepje scholieren drukt ons briefjes met hun adres in de hand, ze zijn op zoek naar een pen-friend in Holland. Vervolgens rijden we in de stromende regen over een beroerde weg langs ‘eeuwige rijstvelden’. Tijdens een rook- en plaspauze in the middle of nowhere worden we in een mum omringd door tientallen kinderen. Als er wat snoepjes, pennen en ballonnen worden uitgedeeld ontstaat er een waar pandemonium. De uitdelers weten zich nauwelijks staande te houden.

Uiteindelijk arriveren we in Payabungan, alwaar we in een steriel, zéér gekoeld, luxe zakenhotel overnachten.

Woensdag, 14 september.

Weer vroeg de weg op. We rijden door een gebied waarin we nu eens nauw worden omsloten door de jungle en dan weer prachtige vergezichten hebben over sawah-terrassen. Ook groeien hier kaneel- en de kruidnagelbomen, met hun naar de kruin toe steeds rodere bladeren. De ‘vruchten’ hiervan liggen op kleedjes in de berm te drogen in de zon.

We houden halt bij een madras, een koranschool met internaat. Voor kinderen van 5 tot 12 jaar. De jongens en meisjes zijn streng gescheiden. De jongens dragen witte kepjes, witte hemden en groene broeken. Zij zijn gehuisvest in tientallen kleine vierkante, houten kotjes op palen. Elk kotje is het nachtverblijf van vier gasten. Vijftig meter verderop staat een groep meisjes. Achter een hek. Zij zijn gekleed in witte hemden, groene rokken tot op de voeten en ze dragen forse witte hoofddoeken. Als we komen aanlopen wijken ze aanvankelijk als een groen-witte golf weg van het hek. Dan wint toch de nieuwsgierigheid en golven ze dichterbij. Er wordt wat ‘Hello’ heen er weer geroepen en de meisjes lachen besmuikt. Ze lijken bevangen door een mengeling van verlegenheid en behoefte aan contact.

Vanaf de madras slingert de weg zich als een slang door de langgerekte kampong, dat schier eindeloze lintdorp, dat dit deel van Sumatra lijkt te zijn. En net zoals het gif van een slang dodelijk kan zijn én medicinale toepassingen kent, doet ook de weg twee dingen: ze brengt gevaar voor overstekende kinderen, honden en katten, maar ze brengt ook bedrijvigheid voor alle eettentjes, winkeltjes en werkplaatsen. Erg veel kan die bedrijvigheid niet opleveren, schamelheid is troef. De hutjes en winkeltjes langs deze weg zijn sober, armoedig vaak, soms vuil. Dat geldt níet voor de in elke wat grotere plaats aan de weg gelegen kazernes. Die hebben fris geschilderde muren, strakke gebouwen, en het gras is er net zo keurig gemillimeterd als het haar van de in glad gestreken uniformen gestoken militairen die er overheen wandelen. Opvallende contrasten! We passeren lopend de evenaar. Een streep op de weg. Voor zover we die kunnen ontwaren tussen de massa opdringerige verkopers van T-shirts, blaaspijpen, stickers, ansichtkaarten, waaiers, bamboepennen en andere snuisterijen.

Tegen de avond bereiken we Bukittinggi en laten ons daar de Soto Ayam goed smaken.

Donderdag, 15 september.

Dat we zijn overgegaan van het christelijke Batak-gebied naar het islamitische Minangkabau-deel van Sumatra, dat wordt ons ’s morgens om half vijf luidruchtig ingepeperd. Op dat tijdstip storten verschillende moskeeën tegelijkertijd hun oorverdovende ‘Allah Akbars’ uit over Bukittinggi. Enkele uren later maken we met gids Dodi een tocht door de Canyon. We lopen door een half uitgedroogde rivierbedding en komen al snel een groep Makaken tegen. Kleine grijze apen met oranjebruine ogen. Het natuurschoon met zijn wilde begroeiïng, zijn rotsformaties en grotten, is overweldigend. Halverwege de tocht eten we in een kampong, waar een aantal zilversmeden gevestigd is, een Soto Mi bij de zus van Dodi. Vervolgens wandelen we over uitgestrekte rijstvelden, waar vrouwen het onkruid wieden en mannen met waterbuffels de sawah’s ploegen. We leveren een bescheiden bijdrage aan de rijstoogst door zelf de sikkel ter hand te nemen. In de laadbak van een vrachtwagen rijden we terug naar ons hotel.’s Avonds eten we met de hele groep ‘padang’ bij Dodi thuis. Op de grond. Uit grote schalen met rijst en van 80 schaaltjes. Met rendang, kip, tahoe, kwarteleieren, bonen, emping, tapioca, tempé, gado-gado, buffelspek, gekruide aardappelkoekjes, papaja, pompoen, aubergine, zoetzuur, bonen, kokos, een soort appeltjes en banaan. Het overheerlijke geheel wordt weggespoeld met thee en Bintang. Vlak vóór de maaltijd zijn we met Dodi naar een panoramapunt gegaan met uitzicht over de Canyon. Om rond zonsondergang vliegende honden te zien langskomen. Die verlaten dan, na de hele dag ondersteboven aan takken te hebben gehangen, hun bomen om dichter bij bewoond gebied naar vruchten te zoeken en die op te peuzelen. Enkele honderden honden vliegen voorbij. Hun silhouetten lijken op die van vleermuizen, maar deze dieren fladderen niet. Met hun vleugels van ongeveer 50 cm elk glijden ze kalm, statig bijna, langs het langzaam rood wordende firmament, hun kopjes vastberaden vooruitgestoken. Het decor is schitterend. Op het punt waar de zon achter de bergen verdwijnt, ontvouwt zich een prachtige luchtspiegeling. Een paradijselijk fata-morgana in pasteltinten. Boven de inmiddels zwarte bergruggen aan de horizon tekent zich minutenlang een lieflijk landschap af dat gevoelens van nostalgie en verlangen oproept. Een langgerekt lichtblauw meer met oevers van zachtgele en zachtoranje stranden, met daaromheen donkergroene heuvels en bossen. Een zeldzaam doorkijkje naar niet minder dan de hemel!

Vrijdag, 16 september.

Na wederom om half vijf uit bed te zijn gedreund door luide en klagelijke oproepen tot gebed gaan we na het ontbijt op excursie met gids San. We bezoeken een koffieplantage, alwaar ze behalve koffie ook thee produceren. De thee trekken ze van de bladeren van de koffieplant en serveren die in uitgeholde halve kokosnoten. Apart! Dan brengen we een bezoek aan een snoepfabriek. Daar worden snoepjes gemaakt van rietsuiker, banaan en ananas. We mogen proeven: Lekker! Zoet! In de fabriek, eigenlijk een kale schuur, werken tien vrouwen, acht uur per dag, zes dagen in de week voor het minimumloon (500.000 roepia, dus ongeveer 40 euro per maand). Het is zogezegd ongeschoold werk. San vertelt dat er wel leerplicht is in Indonesië, maar slechts tot je 12e. Volgens hem gaat ongeveer 90% ook daadwerkelijk naar de basisschool. Tegenwoordig gaat 75% van de kinderen daarna door naar een 3-jarige junior highschool en maakt zo’n 60% de daaropvolgende senior highschool af, ook een opleiding van 3 jaar. In de steden wordt meestal langer doorgeleerd dan op het platteland. De recent aangetreden regering van president Susilo Bambang Yudhoyono stimuleert het volgen van onderwijs. Er is meer geld uitgetrokken voor de openbare basisscholen, maar uniformen, pennen, schriften en sommige leerboeken komen nog steeds voor rekening van de ouders. Die kunnen dat niet altijd betalen. Er zijn ook privé-scholen en die zijn wel veel duurder maar niet per sé beter dan de openbare. Nadat we hebben rondgekeken in een watermolen waar koffiebonen tot poeder worden gestampt, treden we het Paleis van de voormalige Minangkabau-koningen binnen. Een deel van het reisgezelschap wordt tijdelijk in de adelstand verheven door ze in prachtige gewaden te hullen en met gouden tiara’s te kronen.

Uit het verhaal dat San in het paleis vertelt, blijkt dat het matriarchaat, waarmee in Minangkabau nogal wordt gekoketteerd, niet zó veel voorstelt en onder invloed van de Islam op de terugweg is. In het matriarchaat vindt overerving plaats via de vrouwelijke lijn en kiest de vrouw een man. Maar… het hoofd van de familie, de clan, de kampong, dat is altijd een man: het zijn de ‘ooms’ die feitelijk de dienst uitmaken. Ook in het bestuur van de steden en de provincie treft je vrijwel uitsluitend mannen aan. Nog altijd trekken in Zuid Sumatra de mannen bij een huwelijk in bij de vrouw, maar onder invloed van de Islam is hun positie versterkt: de vader is de eerstverantwoordelijke voor zijn kinderen, die heeft hij ‘op schoot’. Zijn neven en nichten heeft hij ‘aan de hand’. Bij tegenspraken tussen de traditionele Minangkabau-cultuur en de Islam wijkt de oude cultuur.Terug in Bukittinggi bezichtigen we de Toren van De Kock en keuvelen we op het centrale plein gezellig met een groepje leergierige studentes Engels..

Zondag, 18 september.

Het ontbijt bestaat ditmaal uit Nasi Goreng met twee soorten gemalen bonen, kokossaus, aardappelpuree met worst en, voor de liefhebber op dit uur van de dag, inktvis.

We gaan met de bus Jakarta in. Wat een verkeer. Zesbaanswegen vol met stapvoets rijdende auto’s, zwermen scooters er omheen. De smog slaat op je strot en je longen.

In de Oude Haven hebben we vanaf een uitkijktoren zicht op de stad, maar vooral op enorm vervuilde kanalen met moddergrijs water waarin allerlei troep drijft. Elke oever is een vuilnisbelt. We maken een wandelingetje door een krottenwijk: kleine, op elkaar gestapelde houten en stenen huisjes, waarvan zoals overal de ruimten op de begane grond in gebruik zijn als winkeltjes met fruit, groenten, snacks, drankjes, vis en kleding. Wanneer we met een gemotoriseerde prauw door de haven varen, slaat de moter om de 100 meter af vanwege rotzooi in de schroef. Langs de kaden liggen imposante Boeginese schoeners afgemeerd, die worden verlost van hun lading tropisch hardhout. In de gloeiende hitte sjouwen tanige havenarbeiders over smalle loopplanken de boten leeg. Voor een maandloon van 900.000 roepia (75 euro). In het nabijgelegen Café Batavia kunnen wij ons de luxe permitteren van een kop koffie, gezeten in mahoniehouten meubilair, gekoeld door krachtige ventilatoren aan het plafond en aangestaard door honderden portretfoto’s aan de muren. In het pissoir kun je plassen tegen een spiegel…Aan de Medan Merdeka, het Vrijheidsplein, met zijn markante Monument Nasional, ‘de laatste erectie van Soekarno’, liggen het Nationaal Museum, het presidentieel paleis, een kathedraal met schilderijen van Hollandse prelaten en de grootste moskee van Azië. Tijdens een rondleiding door die moskee babbelt de gids bij voortduring over maar één ding … voetbal! Op de terugweg naar het hotel blijken we met drie personen te passen in een bajaj, een overkapte driewieler met benzinemoter waarvoor géén verkeersregels gelden. ’s Avonds verzeilen we in het centrum van Jakarta in een Padang-restaurant. We willen een biertje bestellen. Maar zonder dat iets wordt gevraagd of gezegd worden er pullen met thee voor onze neus neergezet, gevolgd door een schaal met rijst en acht schoteltjes met vlees, vis, kip en groenten. Na de maaltijd wordt opgetekend wat er van welke schoteltjes is genuttigd en afgerekend. Er wordt geen woord gewisseld, behalve met een verkoper van landkaarten en woordenboeken.

Maandag, 19 september.

We verlaten Jakarta over een overvolle zesbaansweg. We rijden door een rijke wijk met gigantische villa’s en aansluitend door een zakenkwartier met tientallen ultramoderne wolkenkrabbers. Is dit een Derde Wereldland? Met zoveel verkeer, prachtige huizen en architectonische hoogstandjes? Er staan nogal wat sjofel geklede mensen langs de kant van de straten. Het zijn ‘lifters’ die je moet betalen als ze met je meerijden. Er geldt namelijk in Jakarta een ‘3-in-1-plicht’: in een ijdele poging het verkeersinfarct te genezen, moeten er in elke auto minimaal drie personen zitten. Wie als eenzame rijkaard met zijn chauffeur op pad gaat, die komt dus een passagier tekort. Vandaar dat minder bemiddelden zich voor 10.000 roepia (nog geen 1 euro) aanbieden om een stukje met je mee te rijden. Toch, ook, een Derde Wereldland!

We brengen in Bogor een bliksembezoek aan de botanische tuinen van Buitenzorg. De gids die ons rondleidt, spreekt Nederlands met de tongval die je vroeger in Den Haag van oudere Indo’s kon horen. Met een rollende r, scherpe klinkers, de klemtoon op de laatste lettergreep, elke zin eindigend op ‘ja’. "Hèb jij dát goed begrrrépènnn, jaaa?!" Na een rit langs uitgestrekte thee-plantages komen we aan in Bandung bij ons hotel in een met slagbomen afgesloten villa-wijk. We verorberen een Sop Buntur en gaan nog even een aangrenzende wijk in, waarvan we veronderstellen dat daar het personeel van de villa’s zal wonen. Een wijk met sobere, kleine, dicht opeen staande huizen. Een groepje hangjongeren dat aan het vliegeren is, wil graag met ons op de foto. Kinderen komen nieuwsgierig een kijkje nemen en roepen vrolijk ‘Hello Mister’. Ook andere bewoners begroeten ons enthousiast. Het bevestigt het beeld van héél veel vriendelijke Indonesiërs. Je kunt je nauwelijks voorstellen dat hier na 1965 zo’n 600.000 tot 3 miljoen linkse Indonesiërs zijn vermoord door het leger en radicale islamitische jongeren.

Dinsdag, 20 september.

Ook in Bandung zit het verkeer in een voortdurende verstopping. We karren met de bus naar Pangandaran. Het ‘Scheveningen van Java. Merkwaardig is overigens dat Pangandaran een badplaats is waar je vanwege de sterke stroming niet de zee in mag! Volgens de Lonely Planet is hier een prima visrestaurant, Hillman’s Fish Farm. Na een uur dwalen langs donkere wegen en de alomtegenwoordige stalletjes geven we de moed op. De lokalo’s, van wie er weinigen de Engelse taal machtig zijn, hebben van deze Fish Farm nog nooit gehoord. Een becak, een fiets met een stoel tussen de voorwielen, brengt ons naar Ali’s restaurant. Ali, een jongeman, modieus gekleed en een glimmende zonnebril, verwelkomt ons hoogstpersoonlijk. Met een hoop geaai en een zoen op de wang. We eten er een formidabele gegrilde tonijn en maken ons uit de voeten wanneer Ali met vrienden gaat karaoken. Niet om aan te horen!

Woensdag, 21 september.

Voor zonsopgang gaan we met een klupje naar de vismarkt. De mensen die al wakker zijn, wandelen wat, vegen hun veranda of schuiven hun Nasi Goreng uit een kom naar binnen. Op zee varen er ongeveer 15 prauwen. De zonsopgang is mooi, maar veel vis wordt er niet aangevoerd en van de 30 marktkramen gaan er maar twee open. Terug in het hotel laten veel groepsleden zich dan maar door een gedrongen, doofstomme masseur voor 50.000 roepia (4 euro) drie kwartier duchtig kneden. ’s Avonds gaan we met de hele groep in een colonne becaks terug naar de vismarkt. We eten er witte en rode snappers, inktvis, krab en grote garnalen. In Café Bamboo wordt dit alles overgoten met frisjes, Bintang en arak.

’s Nachts zorgen regen, een hevig onweer en een groepslid dat z’n kamer niet in kan, voor een hoop kabaal.

Donderdag, 22 september.

Vandaag maken we een tour per becaks door een kampong. Een kampong? Heel Java lijkt wel één grote kampong, een onmetelijk volkstuincomplex verscholen in het groen van het tropische woud. Weelderig groen. Grassen, struiken, bomen, vooral palmbomen. Aarden weggetjes verbinden de huisjes van één verdieping met golfplaten daken met elkaar. Ongeveer een kwart van de huizen ziet er wat luxer uit dan een gemiddeld volkstuinkotje, is opgeschilderd in geel, oranje, lichtgroen of lichtblauw, heeft ramen in hardhouten kozijnen en een schuin dak met rode pannen. Woningen van hen die kennelijk aardig geboerd hebben.

Overal waar onze vloot becaks verschijnt, rennen kinderen naar het pad, zwaaien en roepen ‘Hello’. De ouderen zwaaien eveneens, zittend of liggend op hun veranda’s. Maar niet iedereen zit of ligt. Op een marktje is het een drukte van belang. Verkoop en inkoop van groenten, fruit, kruiden en vleeswaren. Wat verderop in de kampong beklimmen tanige mannen metershoge palmbomen om de nectar van de bloemen af te tappen, die wordt gebruikt om palmsuiker van te maken. Van die suiker, kokos en rijst worden snoepjes gefabriceerd. Weer een stukje verderop is een groep mannen en vrouwen bezig met het afsteken van de schillen van kokosnoten, op een mes in de grond. Voor 500 roepia (4 eurocent) per noot. Overigens worden niet alleen de noten (kokos en klappermelk) en de bloemen (suiker) van de kokospalm benut, de stam levert hout, de bladeren worden gebruikt als dakbedekking en de schillen van de noten dienen als brandstof. We zien een vrouw tahoe maken van sojabonen en tempé van sojabonen met gist (het rijpen geschiedt, inderdaad, in een palmblad…). Nog wat verderop worden in een schuurtje kroepoekkoekjes gemaakt van gemalen garnalen en cassave. De hygiëne en de arbeidsomstandigheden zijn erbarmelijk. Heel wat ‘schoner’ is het in de werkplaats van een houtsnijder die wajangpoppen maakt en die voor ons enkele van zijn poppen ‘tot leven wekt’. Rond het middaguur gaan de scholen uit. Groepen kinderen zwermen uit over de paden. Het zijn er veel. De 2-kinderen-politiek van de regering werkt hier niet. Volgens onze gids Jodi heb je méér dan twee kinderen nodig als oudedagsvoorziening en is het te lekker om ze te maken. Wat opvalt dat is dat er twee ‘soorten’ schoolkinderen zijn. Eén soort waarbij grote hoofddoeken onderdeel uitmaken van het schooluniform van de meisjes, en één waarbij geen enkel meisje een hoofddoek draagt. Jodi legt uit dat beide groepen kinderen naar openbare scholen gaan, maar dat de ene school religieuzer is dan ander. Volgens hem verwijten de meisjes met de doekjes die zonder doekjes wel dat die niet gelovig genoeg zijn, maar de blootshoofdige meiden antwoorden daarop gewoonlijk met "Dat kan ons niks schelen!". De lunch begint op het strand van een baai vlakbij Pangandaran, maar de regen jaagt ons naar binnen. Een boottocht door Green Canyon wordt wegens diezelfde regen afgelast. Niemand vindt dat vervelend: de tour door deze bedrijvige kampong was indrukwekkend genoeg voor een gevulde en geslaagde dag.

Het diner bestaat uit een Javaanse maaltijd die wordt genoten in het restaurant van Lilo, een dame van Zwitserse komaf. Keurig netjes allemaal dus.

Vrijdag, 23 september.

Voor de afwisseling bestaat het ontbijt uit Pancake Pisang, een in groen deeg gewikkelde gebakken banaan in een honingbadje. Hmmm. Dan stappen we aan boord van twee motorprauwen en varen over een groot binnenmeer langs oevers die begroeid zijn met mangrovebossen. Er worden enkele ijsvogels gespot. Na drie uur, lichtelijk doof door de herrie van de dieselmotoren van de boten, gaan we aan land bij de olieraffinaderij van Cilacak.

Met de bus rijden we in oostelijke richting. Het is hier vrij vlak en je hebt een weids zicht over grote kavels, waar niet alleen rijst, maar ook tomaten, uien en aardappelen worden geteeld. Overal staan weer de karakteristieke lage stenen huisjes met hun oranje-rode dakpannen. Er zijn wat minder kraampjes en winkeltjes. De weg hier op Midden Java is smal, maar goed onderhouden. De mensen die we zien beantwoorden aan het beeld van de ‘klassieke Javaan’: klein, slank, donker, maanronde gezichten met grote amandelvormige ogen en hoge jukbeenderen. Mooie mensen, al lijken ze iets minder goedlachs dan degenen die we tot nu toe zijn tegengekomen. Bij een stalletje stoppen we om te ruiken aan en te proeven van de Durian. Een pompoenachtige vrucht waarvan gezegd wordt dat ie "Smells like hell. Tastes like heaven." Dat valt allebei wel mee, dus een beetje tegen.

Eenmaal is Yogyakarta is er weer aandacht voor meer wereldse zaken. Na het welkomstdrankje in hotel Matahari wordt er in het Belgische restaurant Via Via een voortreffelijke Indiase maaltijd geserveerd.

Zaterdag, 24 september.

In de bus en op naar de Borobudur. De boeddhistische tempel, die gebouwd werd in de tijd dat Karel de Grote zich in Europa tot keizer liet kronen. Uit de verte lijkt de Borobudur op een enorme door de zon geblakerde steenklomp. Dichterbij gekomen onthullen zich mooie ornamenten, beelden en vreemde vreesaanjagende koppen. Reliëfs op de muren van deze tien verdiepingen tellende tempel vertellen het verhaal van hoe prins Siddharta ooit Boeddha werd en tot zijn Nirwana oftewel Verlichting kwam. Op het dak van de tempel, tussen de eeuwenoude Stoepa’s (klokvormige omhulsels van zittende beelden) en met het schitterende uitzicht over de omgeving, bereik je gemakkelijk zelf een soort staat van verlichting! We gaan op excursie naar de Prambanan, de hindoeïstische ‘tegenhanger’ van de boeddhistische Borobudur. Drie grote tempeltorens zijn gewijd aan Brahma, Vishnu en Shiva. Drie kleinere, maar evengoed imposante, tempeltorens zijn bestemd voor hun symbooldieren, respectievelijk de gans, de adelaar en de stier. Alleen van de stier is een beeld bewaard gebleven. Door de torenstructuur en de kwaliteit van de reliëfs op de tempelmuren maakt de Prambanan zo mogelijk nog meer indruk dan de Borobudur. Terug in Yogyakarta bezoeken we de gerenommeerde HS-Zilversmederij, zowel de werkplaats als de winkel. Ongelofelijk met hoeveel geduld en precisie hier prachtige sierraden worden geproduceerd. Geduld en precisie treffen we ook aan in de batikwerkplaats en winkel die we vervolgens aandoen. Met eveneens prachtige producten als resultaat. Het avondeten is iets bijzonders: King Cobra Steak. Het bord dat we voorgeschoteld krijgen oogt goed: gele maïskolven, groene bonen, oranje schijven wortel, een vruchtensalade, goudkleurige aardappelkroketten en lichtbruine stukjes cobra. Maar de slang smaakt nergens naar, hooguit naar frituur, en is zo taai als overjarige inktvis.

Maandag, 26 september.

Rond een uur of negen gaan we met een kleine groep naar de Kraton, het paleiscomplex van de Yogyakartaanse sultans midden in de stad. Voortdurend worden we aangeklampt door becak-rijders en gidsen die hun diensten aanbieden. "No thanks", wordt zonder twijfel de meest gebezigde uitdrukking deze vakantie. Een bezoek aan de Taman Sari, het Waterkasteel, een zandkleurig badhuis annex lustoord van de sultans is echter zeer de moeite waard. We bezichtigen de drie openluchtbaden, één voor de kinderen van de sultan (de vorige had er 72!), één voor zijn concubines (40!) en één waar hij zich met enkele uitverkoren vrouwen terugtrok. Dat uitverkiezen deed hij trouwens vanuit een torentje met kijkgat. De sultan was niet áltijd bezig met zijn dames: een ingebouwde, ondergrondse en ronde moskee telt twee ringen, één voor de vrouwen en één voor de mannen. Vanaf het dak van het waterkasteel is er een mooi uitzicht over de stad, zo ver het oog reikt. In zijn vrije tijd moest de sultan ook nog kunnen zien wat hij moest besturen, immers.Het paleis en de burelen van de sultan liggen wat verderop. Het meest opvallend is de constructie van de grote ontvangstzaal: geen muren, maar bewerkte smalle zuilen schragen een immens glimmend hardhouten dak. Een wachter in sarong, met een kris in zijn heupdoek gestoken, leidt ons er rond.

Voor 5000 roepia (40 eurocent) karren we in een becak terug naar het hotel en om de hoek eten we een Pisang Bakar Keju Susu, een zoete gestoomde banaan met geraspte kaas. Achter het hotel ligt een merkwaardig wijkje. Rond een enorme islamitische begraafplaats staan kleine stenen woonhuisjes. Mogelijk was de moskeehof toch niet groot genoeg, want tussen de huizen liggen ook overal graven. Is de begraafplaats uit zijn voegen gebarsten of is er op gebouwd? In ieder geval huizen de levenden en de doden hier dwars door elkaar heen. Dat verklaart misschien waarom vijf vrouwen die op een grafsteen zitten, devoot opstaan als ik langskom en een buiging voor me maken, alsof ik er een ben die waarlijk is opgestaan…

’s Avonds wonen we in het Openluchttheater van Yogyakarta een muziek- en dansvoorstelling bij waarin delen uit het hindoeïstische Ramayana Ballet worden opgevoerd

Dinsdag, 27 september.

Met de bus naar Malang. Langs velden met rijst, aardappelen, tomaten en kool. Langs huizen die gemiddeld wat groter en beter onderhouden zijn dan we tot dan toe gezien hebben. Over een asfaltlint zonder kuilen en gaten.

Woensdag, 28 september.

Middernacht staan we op. Een uur later zitten we in minibusjes op weg naar de Bromo. Daar is het koud. Met truien en jassen aan, sommigen met een snel aangeschafte muts op, verzamelen we ons bij het Bromo-panoramapunt. Als de zon langzaam boven de kim verschijnt, wordt onze omgeving steeds beter zichtbaar, silhouetten van bergen krijgen vorm, ribbels en kleuren, grijstinten, lichtoranje en roze. De kale takken van een boom vlakbij verschieten van zwart naar grijs, naar goud, naar zilver en uiteindelijk naar donkerbruin, hun ‘dagkleur’. Voor en beneden ons ontvouwt zich een gigantische kraterbodem met daarin drie jongere krateruitstulpingen. Uit één van de drie wratten in de verder lege vlakte stijgt permanent rook op. Op de achtergrond laat de grootste werkende vulkaan van Java, de Semeru, om het kwartier een pufje los. Als het onaardse landschap eenmaal in het zonlicht baadt, wandelen we naar de rand van de rokende krater. Door mul vulkaanzand. Kleine paardjes die grote toeristen op hun rug dragen, vullen het zwerk met stof. De ijle lucht, het stof en de steile klim, het laatste stuk via een houten trap, doen naar adem snakken. Maar de beloning is bekoorlijk. Het weidse uitzicht is van een onwezenlijke schoonheid.

Met enige moeite, één van de minibusjes loopt vast in het zand, verlaten we de Bromo.

Aan de uiterste oostkust van Java gebruiken we een uitgebreide lunch in een Robinson Croesoë-achtig restaurant. Vooraf kippenbouillon, dan rijst, rundvlees, kool, bonen, wortel, gefrituurde kip, sateh, knoflook, kecap, diverse sauzen, en banaan toe. Terwijl een brutale loslopende kaketoe om ons heen struint.Dan gaan we aan boord van een veerpont, die ons in drie kwartier naar Bali vaart.Het eerste stukje Bali dat we zien doet bijna Drents aan: het landschap is heideachtig met een lage, rossige begroeiing. Van lieverlee wordt het toch weer groener, met de nodige bomen en palmen. De weg is goed en minder druk dan op Java, maar even smal en je blijft je hart vasthouden bij elke inhaalactie: halen we het wel voor de aanstormende tegenliggende bus of vrachtwagen en drukken we niet een paar brommotoren de berm in? Becaks ontbreken volkomen in het straatbeeld, je gaat ze bijna missen. De architectuur van de huizen langs de weg is niet veel anders dan op Java, d.w.z. veel laagbouw met pannendaken. Wel zijn de huizen minder tegen elkaar aan gebouwd, dus meer vrijstaand en omringd door deels betegelde, rommelige tuintjes. Op de meeste erven staat een huistempel: opengewerkte torentjes van 1 tot 2 meter hoog, met een schuin dakje erboven, een soort vogelhuisjes, maar dan voor goden in plaats van voor gevederde vrienden. De Balinezen maken werk van hun hindoeïsme.

Na bijna 24 uur onderweg en in touw te zijn geweest, leggen we uiteindelijk in hotel Aditya, Lovina Beach, onze moede hoofden te rusten.

Donderdag, 29 september.

Dat Bali een niet-islamitische enclave is, merken we de volgende ochtend. In plaats van te worden gewekt door klagelijke Arabische gezangen, ontwaken we met het heel wat vrolijker klinkende getjilp van vogeltjes. En de eerste blik vanaf het balkon van de hotelkamer is niet minder lieflijk: boompjes met witte, rode, roze, paarse en gele bloemen baden in het morgenlicht. Vlinders fladderen van bloem tot bloem. Een kortgeknipt groen gazon wordt doorsneden door met stenen belegde paadjes. Langs de paadjes staan palmbomen met gele kokosnoten zo groot als voetballen. Tussen de palmbladeren door zie je de zee waarop een prauw traag voorbijglijdt…In de Bali Zee, op 10 meter van het hotel, kan gezwommen worden. Als je je tenminste weet heen te werken door een vaste haag van oude vrouwtjes met T-shirts en doeken in de aanbieding en jonge jongens met platte koffers vol ‘real Rolex’. Verlaat je het hotel aan de wegkant dan wordt je steevast ‘belaagd’ door jongens op brommers die vragen of je transport (achterop!)

Vrijdag, 30 september.

Ongeveer de helft van de groep gaat snorkelen of duiken. De andere helft verkent de omgeving van Lovina.

Een wandeling langs het strand voert langs een kust-kampong. Op het strand liggen opmerkelijk smalle katamaram-prauwen, eigenlijk niet veel meer dan uitgeholde boomstammen met een paal aan elke kant. De hutten van de aangrenzende kampong tussen de palmbomen zijn van hout of bamboe. Ze dienen vooral als schuil- en slaapplaats. Eromheen ligt de huisraad waartussen wordt geleefd. Het geheel oogt rommelig en armoedig. Het meest haveloze gebouwtje van het dorp is in gebruik door de scouting. Op het pleintje ervoor zitten kinderen in uniform, lichtbruin hemd en donkerbruine broek, op gammele banken en drinken limonade of knabbelen op kroepoek. Een paar scharminkelige honden doen zich tegoed aan de kruimels die overschieten.

Als de avond is gevallen barbecuen we op het strand voor het hotel bij kaarslicht. De sateh babi, kambing, ayam en ikan worden rijkelijk voorzien van gloeiende sambal. Vrijwel niemand heeft nog maagklachten en de hete pepers vormen misschien een remedie tegen de verkoudheid die inmiddels een flink deel van de groep in zijn greep houdt.

Na de maaltijd draaien we onze stoelen een kwartslag en aanschouwen een feeëriek belichte tempelpoort. Dat is het decor voor het optreden van vier beeldschone in traditionele ‘gouden’ gewaden gestoken meisjes. Zij voeren enkele klassieke Balinese dansen op, waarbij hun ogen heen en weer schieten en hun elastieken lijven, armen, benen en vingers sierlijk alle kanten op draaien, kronkelen en wiegen. Een schitterend schouwspel.

Zaterdag, 1 oktober.

Het is tegen zessen en nog donker als we in kleine katamaram-prauwen stappen. Vier personen, inclusief de schipper, per bootje. Vanaf de zee zien we achter Bali de zon opkomen. En met zo’n 40 prauwen racen we naar plekken waar zich dolfijnen vertonen. Eenmaal zien we ze in de verte meters hoog uit het water springen en iets later zwemmen er vier vlakbij in een identiek golvend ritme een stukje met ons bootje op. Een fantastisch gezicht, bijna ontroerend.

Terug aan wal stappen we in de bus om ons naar Ubud te begeven. Onderweg stoppen we bij een hindoetempelcomplex hoog op een heuvel bij een groot meer. Behalve dat je je daar kunt vergapen aan de bizarre beelden met hun uitpuilende ogen en wijd opengesperde neusgaten, kun je je daar ook laten fotograferen met een meterslange heuse python om je heen gewikkeld. Hetgeen sommigen aandurfden.

De rest van de busreis wordt vrij duf uitgezeten. In Ubud veren we op: het hotel, Puri Garden Two, lijkt waarachtig wel een tempel! Poortjes en gangetjes, geflankeerd door hindoe-goden in steen. Voor de deur van elk appartement ligt een boomblaadje met een klutje rijst. Een kleine offerande om de zegen over de bezoekers af te smeken. Het tekent een in onze ogen wat naïeve sfeer, vriendelijk en knus.

Een eerste ronde door avondlijk Ubud maakt duidelijk dat we hier te maken hebben met de meest toeristische stad tot nu toe. Het staat bekend als een ‘kunstenaarsdorp’, maar voorlopig stuiten we vooral op moderne mode-winkels, trendy restaurants en luxe lounges. In één van die lounges, met art-foto’s aan de muren, laat de gemberkoffie zich op een halve ligbank goed smaken.

Zondag, 2 oktober.

In Ubud is een apenpark, Monkey Forest. Daar kun je de Makaken aanraken. En zij jou! Daar komt een meisje van een jaar of zeven vlot achter. Een van de brutaalste probeert haar een slipper te ontfutselen en haar gegil schijnt dat object nóg begerenswaardiger te maken. Ouders en een oppasser redden het kind en haar schoeisel door de aap een banaan toe te werpen. Een truc om te onthouden!We lopen over een nog door de Nederlanders aangelegde gietijzeren brug, een heuvel op en belanden dan in het Antonio Blanco Museum. Onmiskenbaar schiep Antonio, een inmiddels overleden Spaanse kunstenaar, er behagen in zijn vrouw, een Balinese danseres, naakt te schilderen. Het museum hangt vol met haar rondingen. De meest erotische zijn verborgen achter klapdeurtjes die alleen door volwassenen mogen worden geopend. Het meisje dat ons rondleidt, doet dat tamelijk onbevangen. Als ze vraagt hoeveel flessen we op een schilderij waarnemen, dan blijken ook de borsten (melkflessen!) van het model te moeten worden meegeteld. Het meest opvallende aan het werk van Blanco is wel dat elk schilderij is voorzien van een enorme lijst waarin het schilderij ‘doorloopt’ en waarin toepasselijke voorwerpen (flessen!) zijn verwerkt. Maar ook de galerij die rond het museum loopt, is bijzonder. Gouden beelden van hindoegoden lijken vanaf de balustrade de weidse omgeving tegemoet te vliegen.We nemen afscheid van de zoon van Antonio, die nu atelier houdt in het museum van z’n vader, eten een potje Thai Noodles en pakken een taxi naar het beginpunt van een wandelroute door de rijstvelden rond Ubud. Een mooi parcours over een pad langs rijstvelden, ravijnen, beken en slootjes. In de groene sawah’s staan overal vlaggetjes in allerlei kleuren om vogels te verschrikken. Boven de dessa hangen stille wolken in het hemelblauw. De enige geluiden die je hoort komen van kevers, hanen en honden. Wanneer we weer dichterbij Ubud komen voegen zich daar gamelanklanken bij uit de stad. En die vermengen zich weer met de lotus- en jasmijngeuren van de wierookstokjes die aan het eind van de middag bij de vele tempeltjes worden ontstoken. Bali bereidt zich, ondanks de bommen, voor op het grote hindoefeest Galungan.

Maandag, 3 oktober.

De pasar van Ubud wordt drukbezocht. Op straatniveau zijn de winkeltjes, kraampjes en stalletjes waar je je tussendoor moet wurmen vooral gericht op toeristen. Souvenirs en houtsnijwerk voeren de boventoon. Een verdieping lager, in een grote kuil, staan de kraampjes met verse etenswaren, groenten, fruit, vlees, etcetera. Een verdieping hoger hangen de stalletjes vol met kleding en ander textiel. We kopen wat dingen en dingen wat af.

Een paar kilometer en heel wat zweet verder is het Neka Museum. Met traditionele Balinese schilder- en beeldhouwkunst, maar tevens met werk over Bali van hedendaagse lokale en buitenlandse kunstenaars. Van Antonio Blanco bijvoorbeeld prijken ook hier enkele schilderijen aan de muur. Natuurlijk is er werk van Nederlanders: ene Arie Smit heeft er zelfs een apart paviljoen. De meeste indruk maken toch wel de tekeningen en schilderijen van de Amsterdamse Willem Gerard Hofker. Die heeft echt zijn best gedaan om de Balinese vrouw in al haar glorie te vereeuwigen: in sarong, met fiere blote borsten, met of zonder hoofdmand, in soms verleidelijke, maar altijd krachtige pose. Zoals ze vroeger in boekjes over ‘ons Indië’ altijd stonden.Langs de straten van Ubud verschijnen ondertussen steeds meer versierde bamboebogen en liggen her en der op de stoepen papieren offerbakjes met bloemen, vruchten en wierook. Bali maakt werk van de Galungan!

’s Avonds maken we een spannende rit in een Jeep over onverlichte wegen. We komen uit bij een sprookjesachtig verlichte tempel in een voordorp van Ubud. Daar voeren 150 voordorpelingen rond een ‘brandende boom’ een kecak-dans op. De mannen, slechts gekleed in zwart-wit geblokte rokken, zitten daarbij in een cirkel, strekken hun armen voorwaarts, wapperen met hun handen terwijl ze ritmisch tsjak-tsjak-tsjak-geluiden uitstoten. Binnen de kring vertonen dansers en danseressen in schitterende kostuums fragmenten uit de Ramayana. Met als hoofdfiguren de inmiddels vertrouwde Sinta, Rama, reuzenkoning Rahwana en vanzelfsprekend Hanoman, de machtige witte aap.

Het late diner in restaurant Barandi verloopt hilarisch. Wil je net je vork in een smakelijk opgediende botervis met spinazie steken, wordt je bord door een nerveuze serveerster voor je neus weggegrist omdat die vis nou net drie tafels verderop thuishoort. Van die dingen. Alles gaat mis. Fawlty Towers is er niks bij. Ook de rekeningen kloppen niet: die zijn veel te hoog óf veel te laag. Uiteindelijk krijgt iedereen tóch wat hem of haar toekomt en (glim)lachen personeel en gasten zich door alle pijnlijke situaties heen.

Dinsdag, 4 oktober.

Om half zes is het opsta-tijd en karren we met de bus naar de veerboot die ons naar Lombok vaart. De overtocht duurt een uur of vier. De zon brandt de mensen die geen plekje met schaduw kunnen vinden van de dekken. Benedendeks liggen de vloeren bezaaid met slapende mensen; het is er stil, warm en zurig.

Eenmaal op Lombok lijkt dit eiland wat droger en grauwer dan Bali. Het groen is er wat blauwer en de huizen zijn grijs, meestal met muren van ongeverfd beton en met golfplaten daken. De mensen lijken wat ‘hoekiger’ dan op Java en Bali. De eerste indrukken, die zijn gekleurd door het uiterst brutale optreden van de koffersjouwers in de haven, zijn niet erg vriendelijk. Dat wordt versterkt door het opvallend grote aantal hekken en afzettingen met prikkeldraad dat je hier onderweg tegenkomt. Rond het hotel staan muren met glasscherven in de bovenrand. Nog niet eerder gezien.In Senggigi blijkt onmiddellijk waarom Lombok ‘het eiland met de 1000 moskeeën’ wordt genoemd: van alle minaretkanten galmt de Koran je tegemoet.Na een duik in zee en het nuttigen van een Sateh Daging volgt in een koffiebar een gebarentaalconversatie met de enige andere bezoeker. Dat gaat nog niet zo simpel: uit het gele overhemd van de man steekt maar één arm. De onbedekte lichaamsdelen, die arm, zijn nek en hoofd, zitten vol met grote bulten. Een leproos? Wel een vriendelijke, maar veel verder dan de constateringen dat de barkruk naast hem vrij is (er is verder niemand) en dat de koffie goed smaakt, maar wel duur is, komt het ‘gesprek’ niet.

Woensdag, 5 oktober.

Voor het ontbijt kijken we vanaf de galerij voor de hotelkamer uit op een rood pannendak waar vijf palmbomen bovenuit steken. Tussen de palmbladeren door is er zicht op de grijsblauwe Straat van Lombok onder een lichtblauwe hemel met witte wolkenflarden. Het lijkt waarachtig wel een beetje Lovina Beach! Het begin van de Ramadan is in Senggigi goed merkbaar. De talloze kraampjes en stalletjes zijn gesloten en verlaten. Zo’n rustig straatbeeld hebben we nog niet gezien. Na een wandeling over een strand met golfbrekers en een Pepes Ikan op een bananenblad ontmoeten we in een restaurant de leden van de groep die deze dag op brommers over het eiland hebben getoerd. Sommigen zijn razend enthousiast: "Het mooiste eiland tot nu toe. Prima wegen. Allemaal vriendelijke mensen die je ongevraagd de weg wijzen en graag een babbeltje met je maken of met je op de foto willen. Hoofdstad Mataram is de best verzorgde stad die we gezien hebben, met een perfecte infrastructuur. Prachtige panorama’s. Hier willen ooit naar terug!" Op de achtergrond speelt een bandje live muziek van U2, Eric Clapton en Pink Floyd. Het klinkt niet geweldig. De band heeft hevige concurrentie van een muziekgroep in een belendend restaurant en van de plaatselijke imam’s die hun avondgebeden over de stad uitstorten. Die klinken ook niet geweldig.

Donderdag, 6 oktober.

Om 8 uur rijdt een zevental groepsleden in een busje van Blue Marvin Dive over de kustweg om te gaan duiken en snorkelen. Het landschap, met gelig gras en grote, kale bruine plekken, lijkt verdroogd. De baaien met hun witte stranden met palmen en eucalyptusbomen vergoeden veel. Op het zonnedek van een katamaram-prauw klotsen we over een wilde zee naar een koraalrif bij één van de drie Gili-eilandjes. Spoedig zweven we in de wondere wereld van onderwaterland. We zien talloze vissen, helderblauwe en giftig-geel-zwarte, grote blauwe zeesterren en een paar flinke zeeschildpadden. Het koraal stelt, op enkele gigantische eivormige bollen na, niet veel voor. Dynamiet-visserij en global warming hebben hun tol geëist. Na een hap Safran Ayam op Gili Air plonzen we bij Gili Trawangan opnieuw het water in. Wederom zien we veel prachtige vissen, waaronder lange, dunne, doorzichtige met een trompetsnuit. En zeesterren en anemonen. Hier is het koraal wat beter geconserveerd. Ruige en rafelige structuren in geel, bruin, blauw en paars.

Over een inmiddels woeste zee varen we terug naar Lombok, waar de regen met bakken uit de hemel komt.

Vrijdag, 7 oktober.

Zes uur op. Een karig ontbijt met melige croissants. Met de bus naar het vliegveld van Mataram. Een vlotte vlucht naar Denpasar. Met de bus naar Kuta. Intrek in het luxe hotel Wina.

Wanneer we wandelen over het mooie strand van Kuta zien we op zee menige surfer. Aan de andere kant, voor de boulevard, zit een groot gezelschap onder de bomen in het zand. Ze zijn bezig met een Hindoe-ritueel ter gelegenheid van Galungan. Er wordt muziek gemaakt op trommels en gongs. Een dikke man met een hoge muts op, een soort kroon, maakt vanaf een houten constructie, een soort troon, zegenende bewegingen met zijn vingers waarvan de priemende nagels óf twintig jaar niet zijn geknipt óf kunstmatig zijn verlengd. Af en toe rinkelt hij met een belletje. Een groepje mannen maakt zich los voor een ritueel bij de zee. Een groep vrouwen fabriceert op hun gemak offers. Ze vouwen bakjes en vullen die met bladeren, takjes, bloemen, vruchten en rijstklompjes. Soms wordt daar een wierookstokje in gestoken. Is een offer klaar dan wordt het neergelegd op of bij een grote tafel op het strand. Tussen de bakjes ligt ook een ingesnoerde, nog levende, eend. Alleen zijn witte kop en oranje zwemvliezen steken door het vlechtwerk naar buiten. De jongens van de muziek beroeren meer liggend dan zittend hun trommel of gong. Ze doen dat weinig geanimeerd, bijna plichtmatig. Het geheel oogt schilderachtig en maakt een ontspannen, wat lome, niet erg gedreven indruk. Wie wat langer blijft kijken naar het schouwspel gaat zich onwillekeurig van alles afvragen. Hoe lang worden ceremonies als deze al gehouden? Wat stelt het voor? Hoe ‘gelovig’ zijn de deelnemers? Is het vooral traditie, een gewoonte waar je nu eenmaal aan mee doet omdat het al eeuwen zo gaat, of heeft dit voor de deelnemers nog een diepere, spirituele betekenis? Is het vooral een sociaal gebeuren? Vraagt zo’n jongen die op een gong slaat zich ooit af wat de zin daarvan is? Houden deze tradities de maatschappelijke verhoudingen in stand? Dragen ze misschien zelfs bij aan sociale, culturele, intellectuele en technische stilstand? Vragen waarop hier en nu geen antwoord komt.

Het centrum van Kuta op een steenworp afstand is supertoeristisch. Eén grote kermis van shops, souvenirwinkels, modezaken, restaurants en cafés. Met een taxi rijden we naar de Tempel van de Wereld, de Pura Luhur Uluwatu. Een hindoe-tempel aan de kust, hoog op een steile rotsformatie waar brede witte golven tegenaan beuken. Hoewel we de verplichte omslagdoeken om de benen te bedekken en ceintuurs dragen, komen we de tempel niet in. Op de in steen uitgehouwen trappen wordt één van de reisgenoten door een makaak van zijn bril beroofd. De makaak is gelukkig bereid de bril te ruilen voor een banaan. Die truc werkt weer! Omdat het bewolkt is, stelt de aangeprezen zonsondergang niet veel voor. Maar het panorama levert evengoed prachtige plaatjes op. Terug in Kuta is er een kort maar heftig meningsverschil met de taxi-chauffeur: hij wil meer dan is afgesproken, 150.000 in plaats van 125.000 roepia. Het gaat om een verschil van niks (iets meer dan 2 euro), maar we houden voet bij stuk: afspraak is afspraak. We dineren in een deel van Kuta dat veel wegheeft van Las Vegas, met enorme luxe hotels en casino’s en met de bijbehorende schreeuwerige, aan- en uitknipperende lampenslingers en neonreclames. De Sateh Tuna met pittige Balinese saus laat zich desalniettemin goed smaken. In het befaamde Hard Rock Café wat verderop blijven we niet lang. Er speelt een band die de meest succesvolle popgroep van Indonesië, Peter Pan, imiteert. Te hard en te onzuiver. Voor het slapen gaan ruimen we een kakkerlak op uit de badkamer. De gekko’s op de muren daarentegen koesteren we, die dragen bij aan een insectloze nachtrust.

Zaterdag, 8 oktober.

Het laatste ontbijt in Indonesië bestaat uit een overheerlijke Nasi Goreng met Tuna en Telur Goreng. We nemen een laatste duik in de stevige golven van de Indische Oceaan. Op het strand worden we als overal aangesproken, door een masseuse en een verkoopster van ikat-doeken. Sue en Wendy, zoals deze dames zich noemen, accepteren dat we geen portemonnees in onze zwembroeken meevoeren en in plaats van handel volgt een gezellig gesprek. Ze willen graag met ons op de foto. Ons laatste contact met de lokale bevolking is symbolisch: vriendelijk, nieuwsgierig en vrolijk. Van Denpasar vliegen we in drie uur naar Kuala Lumpur. Daar verblijven we op het vliegveld voor 20 dollar zeven uur in een Lounge met luie stoelen en gratis eten, drinken, kranten en internet. Precies om middernacht stappen we in een Boeing 747.

Zondag, 9 oktober.

Tijdens de thuisvlucht blijven we nét de zonsopgang voor. De verzorging door de stewards en stewardessen van Malaysia Airlines is wederom uitstekend. Het lukt zelfs om af en toe een uiltje te knappen. Om zeven uur ’s ochtends stappen we uit op Schiphol. Bagage ophalen. Afscheidszoenen. Douane. Welkomstzoenen. Einde vakantie!

Klantwaardering

8,6

Onwijs gave reis, ik heb echt mijn ogen uitgekeken in dit in...
Onwijs gave reis, ik heb echt mijn ogen uitgekeken in dit indrukwekkende land. De lange reisdagen zijn een minpunt, maar wel nodig om zo veel te kunnen zien. De reisleidster was vriendelijk en had kennis van het land. Het was allemaal erg goed geregeld, dat geeft veel rust :) Een aanrader!

Jaimy - 8,0
Terug naar boven