Thailand, Laos & Cambodja

Ayutthaya, de vernietigde diamant

Dwalend tussen de boeddhabeelden en tempelresten in de door de zon geschroeide vlakte van wat Ayutthaya was, onderga ik een gevoel van onmacht. Het idee dat alles te begrijpen en te kennen valt, wordt ontmaskerd als romantisch. Alleen theoretisch is het nog mogelijk dat ik me in de finesses van het Thaise boeddhisme verdiep, dat ik mij laat zakken in de geschiedenis van hun koningshuizen, hun rivaliteiten en veldslagen, hun verdragen met Hollanders en Portugezen, hun oorlogen met de Birmezen en de stichting, bloei en genadeloze vernietiging van Ayutthaya, de diamant van het Oosten, eens een grotere metropool dan Londen en Parijs. Geschiedenis, een patiënt die nooit te genezen is omdat hij nooit de tijd heeft om met zijn zielsziekten, angsten, neurosen en agressies, met al zijn pathetische territoriumdrift op de divan te gaan liggen. Van wie zou die divan trouwens moeten zijn? Tegen de tijd dat duidelijk wordt waar hij aan lijdt is de patiënt alweer iemand anders geworden, en herhalen dezelfde rampen en conflicten zich op andere plaatsen, tussen andere staten, vorsten, volken.

a noo010Het platteland was een verademing
Van de geschiedenis van Ayutthaya wist ik weinig toen ik het op een hete decembermiddag van 1978 bezocht. Na de vrolijke hel van Bangkok was het platteland een verademing. Ik wist dat ik naar een ruïnestad ging, maar niet wat ik me daarbij voor moest stellen. Het Forum Romanum, daar deed het me nog het meest aan denken. De arme geest moet kennelijk een aanknopingspunt hebben, anders weigert hij.

Afgelopen zomer zag ik een groep Japanners in de kathedraal van Toledo. Ze zaten stil en ijverig in een zijbeuk, studieboeken op schoot, lazen en keken. Zij weten wie de Christus aan het kruis was, die tienduizend maal herhaalde, in verschillende materialen en stijlen uitgevoerde beeltenis uit verschillende tijden die ze tussen Sicilië en München tegenkomen. Ik weet wie de Boeddha was die ik in tienduizend gedaantes in heel Azië ontmoet. Maar wat zien zij, en wat zie ik? Afgezien van de schoonheidsontroering blijft veel je wezensvreemd, en gebrek aan doodgewone kennis maakt de vereenzelviging niet eenvoudiger.

Er zit een traag element in de lucht
De geschiedenis van Ayutthaya omvat ruim vier eeuwen. Zie ik de verschillen in stijl? Elke houding van Boeddha's handen heeft een eigen naam en een eigen betekenis; wat als ik die niet weet? Dan kan ik nog altijd kijken, en daar loop ik, als een Japanner in Toledo, een Nigeriaan bij het Parthenon.
Het is negen uur in de ochtend, de zon brandt, het groen heeft een venijniger kleur dan in landen waar het winter wordt, ik loop door eindeloze grasvlaktes, vogels zingen, en er zit een traag element in de lucht waardoor ik langzamer loop, iets waar je aan blijft haken - de volstrekt voorbije tijd.
Hitler kun je nageven dat hij de term Ruinenwert bedacht heeft. Zijn bouwmeester Speer vertelt in zijn memoires dat Hitler erop stond dat de gebouwen die hij wilde laten neerzetten deze 'ruïnewaarde' zouden hebben, dat ze ook in een verre toekomst, ergens in de buurt van het mythische einde van het duizendjarige rijk, nog als ruïnes de echo van zijn grootheid zouden oproepen. Of de bouwmeesters van Ayutthaya deze aparte gedachte ook gehad hebben weet ik niet, maar in de praktijk komt het op hetzelfde neer. Er is iets aan ruïnes dat ze mooier maakt dan de meeste restauraties.

Overal boeddha’s
Hier heerst een volstrekte stilte, zo dat het lijkt dat een paar in de verte waaiende bomen als enige het leven vertegenwoordigen. Een beetje frivool zwaaien ze langs de dode muren, als om die uit hun eeuwige slaap te halen. Een echte ruïne, denk ik, is op een idiote manier nooit vervallen maar bestaat juist als ruïne. Overal boeddha’s. Ze omringen me, omgeven me, alleen of in een falanx, een zittende schare. Soms is er één al helemaal versleten, weggehakt in de Birmese fusie, uitgeloogd door het weer - alleen het idee ervan bleef en zweeft boven het lege voetstuk - het lijkt alsof in de met niets gevulde lucht erboven het beeld van de mediterende toch zichtbaar is. Het op een andere plaats, in een andere context niet eens meer herkenbare brok mismaakte steen drukt nog steeds rust uit. Dat is heel geheimzinnig.

Brokken muur, een stuk van een bijna Korintisch kapiteel, bakstenen, geometrische ornamentiek, hoeken, stapelingen, reliëfs, mathematisch zwellen en krimpen. In puntige nissen wordt het herhaalde zelf een herhaling, honderd, duizend maal hetzelfde beeld, als een rozenkrans voor de ogen, een snoer dat men traag door zijn ziel laat stromen, dezelfde noot zo vaak herhaald dat het één lange toon wordt.

 a noo020Muren zetten hun gekartelde schaduw op het gras af als een grafiek: zo zijn we vergaan. Een gebarsten, rechthoekige zuil, de aangevreten cilinder van een chedi. Een bakstenen vierkant, kleur van levend, door de zon beschenen bloed, kleur van de as van een verdwijnend vuur, daarop acht lagen cirkel, ook in baksteen, dan een hoge, klokachtige vorm van aangesmeed cement, pleister, daarop weer een vierkant dat naar boven wijder uitloopt en daarop een cilinder, steeds smaller en kleiner wordend tot op de afgeknotte punt waarop de hemel rust, lui en oneindig. Zo simpel is het. Onkruid, of kruid, op de muren, lichtgroen op al dat wisselend rood. Stukken, scherven, hompen boeddha, niets kan deze rust verstoren, ook niet het bewijs van de vergankelijkheid, elke scherf is sereen; in een detail van de antaravasaka is de hand van de maker nog zichtbaar, een verdwenen, niets geworden hand, een hand die niet bestaat maar waaraan ik toch denk, en dan, na de brokstukken, als een schok, toch ineens een hele boeddha, omhangen met een witgeel doek dat flappert in de zachte wind. De ogen neergeslagen, de mond die iets uitdrukt wat niet opgeschreven kan worden, want wat betekent het als je dat uitspreekt: totale rust?

De ene hand stroomt over het rechterbeen, de andere ligt, door een oneindige zwaartekracht die niets kan wegen neergedrukt, op de linkerdij. Ervoor staan een paar verdroogde bloemen. Ik die daar weer voor sta, ben natuurlijk veel vergankelijker, ik zal geen beelden nalaten.

Toch was er net zo goed een hele cultuur nodig om mij voort te brengen tot ik hier kon staan, hoe efemeer en verdwijnbaar ik ook ben. Maar hij! Wat heeft hij gedaan om hier, in heel Azië en al zo lang, en nog zo lang hierna te staan, te liggen, te zitten met dat alles vervulde, door niets te benaderen gezicht?
Als uiting van verbazing is dit moment voorbeeldig want nogmaals, wat is er allemaal niet nodig om dit ene kleine moment van mijn kijken te laten plaatsvinden? Ik ben nodig, de geschiedenis die mij heeft voortgebracht, de traditie die mij heeft laten kijken zoals ik kijk, maar ook deze Boeddha moest geboren worden, zijn gedachte moest zich, eeuwen geleden al, tot hier uitstrekken, Thaise koningen moesten deze stad stichten, zijn beeld duizendvoudig laten maken, Birmezen moesten dat alles vernietigen, zodat wij elkaar niet in een tempel maar tussen de ruïnes van tempels, in een open veld zouden treffen.

Cees Nooteboom

Bekijk de reizen door Thailand.

Cees Nooteboom is een van de meest bereisde schrijvers van Nederland. In 2002 verscheen de dichtbundel ‘Bitterzoet’ bij De Arbeiderspers en dit najaar ‘Nooteboom’s Hotel’, een boek met essays, reisverhalen, herinneringen, etc., bij Atlas.
Ook in Frankrijk, Spanje en Duitsland worden uitgaven van Nooteboom gepubliceerd, waaronder in Duitsland een CD met door hemzelf gelezen gedichten, ‘Bittersüss’.

Terug naar boven