Azië

Vulkaan Bromo in Oost-Java: Uit de hitte, in de kou

door Tineke Zwijgers

Het is een van de hoogtepunten van een reis naar Java: de beklimming van de
Bromovulkaan. De zonsopkomst aan de rand van de krater is beslist een indrukwekkende ervaring. Maar dat is niet alles. De sfeer in het Tenggergebergte is anders dan in de rest van Java. En het is er koud, soms tot vriezen toe!

Vanuit de hete havenstad Probolinggo slingert de bus omhoog naar het Bromo-Tengger-Semeru Nationaal Park. We passeren het dorpje Ngadisari, waar de witte huizen met groene luiken, met hier en daar een rokende schoorsteen, een frisse indruk maken. Ik steek mijn hand uit het raam en warempel: het voelt een stuk koeler aan dan toen we beneden instapten. We stijgen vandaag dan ook tot bijna 2000 meter boven zeeniveau. Eindpunt van de busdienst is het kleine dorp Cemoro Lawang, gelegen aan de rand van de zandzee die de bewoonde wereld scheidt van
de vulkaan Bromo. Hier zijn een paar eenvoudige hotels, waar je kunt logeren als je wat langer wilt genieten van de prachtige omgeving.

Humeurig gerommel

Bromo vulkaan Indonesië

De Bromo is beroemd vanwege de zonsopkomst aan de rand van de krater, maar het is ook bijzonder om aan het eind van de middag over de zandzee uit te kijken naar het verdwijnen van zon en daglicht. Zeker in het droge seizoen, als er weinig bewolking is. Grasgroene rotswanden omsluiten een kilometers brede zwarte zandvlakte, waarin vier bergtoppen de kop opsteken. Een ervan is de Bromo, herkenbaar aan zijn kale wanden. Zo’n twintig kilometer verder naar het zuiden is bij helder weer de regelmatig rokende top van de Semeru te zien, met 3.676 meter de hoogste berg van Java.

Ook de Bromo rookt vaak. De vulkaan laat dan een humeurig gerommel horen en stoot as uit, dat verantwoordelijk is voor de vruchtbare grond in het gebergte. Zodra de zon onder is, wordt het aan de rand van de zandzee behoorlijk fris. We slaan een dikke ikat, een geweven doek, om ons heen en gaan terug naar het hotel. Langs de kant van de weg hurken Tenggerezen. Ze vragen of we morgenochtend een paard willen huren om naar de krater te gaan “Is a véééry long way”, benadrukt een van hen, zijn armen wijd uitspreidend. We slaan alle aanbiedingen af, want wij gaan lopen. Van een eerder bezoek herinneren we ons nog goed hoe koud we het hadden na de urenlange tocht op de rug van een paard. Zelf bewegen lijkt ons beter.

Hoezo gevaarlijk?
Bromo IndonesiëDe volgende ochtend, 3.00 uur. Na een kop thee lopen we de weg op. Tien jaar geleden, toen Indonesië booming was, wemelde het overal van de toeristen. Na het natuurgeweld van de afgelopen tijd is het nu tamelijk rustig. Tot verbijstering van het gros van de Indonesiërs, die in hun omgeving geen enkele ramp hebben meegemaakt. Zoals Donnie, gids van een groep Japanners, die we gisteravond spraken. “Waarom vinden toeristen het hier gevaarlijk? Er is nog nooit iets gebeurd! Maar intussen hebben mijn collega’s en ik wel minder werk.” Hij is blij met de groeiende groep bezoekers uit Aziatische landen als China, maar vindt het jammer dat de Amerikanen wegblijven. “Die geven goede fooien”, knipoogde hij.

We dalen af naar de zandzee en beginnen met de oversteek. Het is donker, maar de route is goed te volgen dankzij witte paaltjes langs het pad. De wandeling van een paar kilometer wordt zwaarder als het pad begint te stijgen. Gelukkig kunnen we halverwege de klim theedrinken bij een kleine warung. Het wordt langzaam lichter en we zien de contouren van de hindoetempel aan de voet van de Bromo. Tot het begin van de 16e eeuw behoorde Java tot het hindoe-boeddhistisch rijk Majapahit. Toen de islam het eiland bereikte, hield het oude geloof nog een tijdje stand in Oost-Java, maar uiteindelijk vluchtten de aristocraten en priesters naar Bali, waar het hindoeïsme ook nu nog dominant is. Het gewone volk trok zich terug in het Tenggergebergte en beleeft daar nog steeds zijn hindoeboeddhistisch geloof, vermengd met animistische gebruiken en zelfs enkele islamitische rituelen. De laatste tijd zijn de banden met het meer puristische Bali aangehaald en de nog niet zo oude tempel bij de Bromo is daarvan een gevolg.

Mata hari
De laatste etappe is de 246 treden tellende trap naar de rand van de krater. We hebben te lang zitten uitrusten en moeten rennen als we de eerste zonnestralen boven willen opvangen. Het is goed te merken dat we nu op bijna 2.500 meter hoogte zitten. Rennen gaat eigenlijk niet, de lucht is vrij ijl, en maar net op tijd bereiken we de rand. De zandzee beneden ons is in mist gehuld, hierboven is het helder. Langzaam kleurt de lucht oranje en dan is ze daar: mata hari, ‘het oog
van de dag’. Majestueus als altijd. Ze verheft zich boven de kraterrand en laat haar licht schijnen over de donkere rookwolken die Bromo vanuit zijn diepste uitbraakt. De wind staat onze kant op en de lucht ruikt een beetje naar zwavel. Onze magen rammelen en we lopen langzaam terug naar beneden. Het duurt nog lang voordat de mist boven de zandzee optrekt en enigszins verkleumd komen we terug in het hotel. Na het ontbijt kruipen we in bed om warm te worden, maar het helpt nauwelijks. Er zit weinig anders op: terug naar de hitte op zeeniveau. Met in ons hoofd een mooie herinnering aan het koude, maar vredige Tenggergebergte.

Rondreizen Indonesië.

Daarom Djoser

  • Veel individuele vrijheid
  • Gemak van een groepsreis
  • Kleine groepen
  • Oog voor cultuur & natuur
  • Scherpe prijzen
  • Nederlandstalige reisbegeleiding


Bij Djoser zit je goed!

Lees meer

Terug naar boven