Azië

Jalan! (door Marion Bloem)

Op vakantie op Bali verzwikt zoonlief op dag 1 zijn enkel en kan niet meer  lopen. Dag vakantie! Maar niet in Indonesië. Een verhaal over gastvrijheid, behulpzaamheid en een wonderbaarlijke genezing.

Vier jaar oud, en net als wij op het eerste gezicht verliefd op Bali, hoorde onze zoon tijdens de afdaling van de vliegtuigtrap, als eerste de klanken van een gamelanorkest. Zes meisjes dansten in goudkleurige sprookjesachtige kledij over een rode loper. Een of andere hoogwaardigheidsbekleder werd volgens Balinese traditie welkom geheten. Mijn zoon dacht echter dat de ceremonie speciaal voor hem was, want de ogen van de danseressen waren gericht op onze vierjarige, met zijn blonde krullen.

Dat was Bali vijfendertig jaar geleden. Dezelfde gastvrije ontvangst genoten we in het logement waar we voor vijf gulden per nacht verbleven. Om bij het strand te komen moesten we blaffende honden trotseren en tussen de grazende koeien wandelen, langs opgestapeld wit koraal bij een kalkoventje. Daar struikelde onze zoon, meteen al op de eerste dag, en het feest leek voorbij. Hij wilde en kon niet meer lopen. Zijn enkel was stevig gezwollen. Alhoewel hij geen kleinzerig kind was - want de prikken die hij voor vertrek kreeg om hem tegen tropische ziektes te beschermen had hij zonder een krimp verdragen - weigerde hij nog op eigen benen te staan. We vreesden dat er iets gebroken was. Opeens werden we omringd door behulpzame mensen, alsof de honden en koeien de bewoners van het eiland hadden gewaarschuwd. De omstanders spraken met elkaar en beslisten: mijn man, zoon en ik moesten bij een Balinese veertiger achter op de motorfiets. Met zijn viertjes op die ene motor reden we over slecht geplaveide wegen en over smalle kleipaden met diepe, harde geulen. De bestuurder balanceerde behendig, maar ik stond doodsangsten uit dat we door deze rit  hersenletsel zouden oplopen.

Bij een eenzame traditionele woning stopte de vriendelijke Balinees. Hij gebaarde dat we gearriveerd waren. Een Balinese dame op blote voeten kwam op het geluid van de motor naar buiten. Zij en onze motorbestuurder spraken kort. We moesten plaats nemen op een houten bank. Daar hebben we een kwartier gezeten totdat een stevig gebouwde Balinees met ontbloot bovenlijf, gehuld in een sarong, blootsvoets naar buiten kwam. Zijn lange grijze haar was op zijn achterhoofd bij elkaar gebonden.
Hij keek ons aan. Kritisch. In mijn beste Indonesisch probeerde ik uit te leggen wat er met ons kind aan de hand was. Hij leek niet te luisteren, keek zwijgend van een afstandje en liep weer naar binnen. Achter de hut hoorden we water spetteren. Toen hij weer tevoorschijn kwam, besefte ik dat hij een bad genomen had. We hadden hem vermoedelijk in zijn middagslaap gestoord. Op een brede houten bank nam hij plaats. In boeddhazit. De vrouw kwam hem koffie toebroek brengen, en een mandje met geheimzinnige voorwerpen: blaadjes, krijt, en betelnoot. We volgden zijn handelingen. Ook onze zoon hield de handen van de man nauwlettend in de gaten.
Een vuistformaat pakketje van de noot en het krijt, opgerold in het groene blad, propte hij in zijn mond. Hij kauwde langdurig. Zijn wangen stonden er bol van. Zijn speeksel werd bloedrood en droop van zijn lippen over zijn kin. Met een enorme kracht spuwde hij vervolgens de week gekauwde smurrie drie meter verderop, tegen de schutting. Een rode kwat, als een grote bloedvlek, spatte uiteen tegen het gevlochten bamboe, dat al door veel opgedroogde rode vlekken besmeurd was.
“Sirih”, zei de Balinees die ons daar gebracht had. Het woord sirihpruim uit de Nederlands-Indische literatuur kwam hier tot leven.

De oude man wenkte onze zoon. Ik tilde hem op en zette hem naast de oude man op de bank. Precies op dat moment verscheen de Balinese dame met een kom water. De oude man doopte zijn handen erin. Voorzichtig voelde hij met die natte handen aan de knie van onze kleuter, masseerde de knie licht en ging langzaam, al masserend naar de enkel. Opeens, met een snelle beweging, trok hij met beide handen heftig aan de voet. We hoorden: krak!

Onze zoon gaf geen kik. De dikke vlezige, krachtige vingers van de oude Balinees masseerden kalm verder, nu van de voet naar de knie. Tot mijn grote verbazing was de enkel van de jongen niet langer dik. “Jalan!” beval de oude heer nors. Hij duwde het kind van de bank. Mijn zoon, die geen Indonesisch sprak, begreep de  boodschap. Zonder aarzeling liep hij, net zo stomverbaasd als wij, heen en weer. Blij verrast begon hij te huppelen.



Verbouwereerd greep ik naar mijn portemonnee. Wat erin zat trok ik eruit en reikte het de Balinese genezer dankbaar aan. De oude man schudde zijn hoofd. Ruw duwde hij de stapel bankbiljetten van zich af. Ik moest het been van mijn zoon met gekookt water masseren. Precies zoals hij het had gedaan, bromde hij, met weinig woorden. Van de knie naar de voet, en daarna van de voet weer naar boven,  vanavond en morgenochtend weer. Toen wees hij naar de motorfiets en zei: ”Jalan!”

Rondreizen Indonesië.

Daarom Djoser

  • Veel individuele vrijheid
  • Gemak van een groepsreis
  • Kleine groepen
  • Oog voor cultuur & natuur
  • Scherpe prijzen
  • Nederlandstalige reisbegeleiding


Bij Djoser zit je goed!

Lees meer

Terug naar boven