Europa

Een reisverhaal uit Noord-Portugal door Gerrit Jan Zwier

Wijngaarden, bedevaarten en vestingstadjes tussen Minho en Douro

Fadogezang overspoelt de terrasjes van de volkswijk Ribeira, ingeklemd tussen de Douro en de kathedraal, in de Noord-Portugese havenstad Porto. Schuin boven ons spant de Ponte de Dom Luís I zich over de rivier. De zware geur van gebakken vis, knoflook en olijfolie drijft over het water.

Wij zien uit op de porthuizen op de andere oever, waarvan de kleurige letters de firmanamen - Sandeman, Cockburn, Koppke, Ferreira - spellen. In de lage, koele portkelders, die vaak tot diep in het graniet zijn uitgehouwen, staat de portwijn in houten fusten te rijpen. Niets mag de rust van de vintage port, die slechts in een goed wijnjaar wordt gebotteld, verstoren. Een aardschok, of zelfs al de trilling van een trambaan, zou de rijping van de vintage, die zeker twaalf jaar moet duren, geheel ontregelen. De fado’s zijn afkomstig uit luidsprekers. “Porto non cantat”, schreef Gerrit Komrij eens, de schrijver die al jarenlang in Portugal woont. Porto zingt niet. De stad beschikt nu eenmaal niet, zoals Lissabon, over de vrije tijd om in droefheid, zoals die in de fado onder woorden wordt gebracht, te zwelgen. De fado is de gejammerde levensklacht, die met verstikte stem behoort te worden gezongen. Omrankt door de klanken van de gewone gitaar en de twaalfsnarige fadogitaar, vertelt de zanger of zangeres over het verraad van de geliefde, de pijn van het afscheid of de dood van het kind.

‘Ik maakte een kuil in het zand
Om mijn verdriet te begraven.
De hele zee stroomde er binnen,
Maar reikte nog niet tot de rand.’

Porto is de tweede stad van Portugal. Een werkstad, in tegenstelling tot Lissabon, waar slechts feest zou worden gevierd. In Porto draagt men manchester, in de hoofdstad katoen en witte schoenen. Mensen uit Porto worden wel tripeiros genoemd, ‘penseters’, naar het lokale gerecht tripas à moda do Porto, een stoofpot van pens, witte bonen en kerriepoeder. Het gaat hier om een geuzennaam, daterend uit de Napoleontische tijd, toen de bevolking weerstand bleef bieden aan de Franse troepen en de honger hen zelfs naar koeienmagen deed grijpen. Penseters spreken op hun beurt echter met minachting over de affacinhas (sla-eters), waarmee men de ‘uitvreters’ van Lissabon bedoelt.

Wonderen
De oude provincie Minho, in het noorden van het land, is vernoemd naar de grensrivier met het Spaanse Galicië. Tussen de Minho en de Douro bevinden zich nog de dalen van de Lima en de Cávado, twee rivieren die de landstreek eveneens van oost naar west doorsnijden. De spitse bergkammen van het nationale park Peneda- Gerês beheersen het oostelijke deel. De Atlantische kust, de Costa Verde, is vanouds het gebied waar Portugese families vakantie vieren. Minho is rijkelijk bedeeld met Romeinse resten, kloosters, bedevaartplaatsen, vestingstadjes en landgoederen. En natuurlijk met de wijngaarden waar de druiven voor de ‘groene wijn’ (vinho verde) rijpen, al is die naam soms misleidend want er is ook rode groene wijn. Wij besluiten eerst naar Braga te rijden en vervolgens via Ponte de Lima naar de kust te gaan. In Braga wordt veel gebeden, zeggen de Portugezen. Maar in Fatima gebeuren de wonderen, voegen ze er stiekem aan toe. Braga is Portugals heilige stad en dus ruim voorzien van kerken en bisschoppelijke paleizen. De kathedraal ziet er echter van buiten niet bepaald indrukwekkend uit. Dat is wel het geval met de Igreja do Bom Jesus do Monte (Kerk van de Goede Jezus op de Berg), een bedevaartsoord aan de rand van de stad. Het heiligdom ligt op de pelgrimsroute van Fatima naar het Spaanse Santiago de Compostela. De ware pelgrim maakt de lange klim over de zigzaggende trap van de voet naar de top en werpt onderweg een blik op de grotten en kapelletjes die de via sacra, de heilige weg, omzomen. Met de auto of per kabelbaan naar boven kan ook. Het is echter beslist niet de bedoeling om joelend en rennend de trappen af te dalen, zoals groepen schoolkinderen graag doen. In de naaste omgeving houden zich nog enkele bedevaartkerken op. Zo is in Sameiro een witte koepelkerk verrezen, omringd door bordessen, trappen, beelden, pleinen en parkeerplaatsen. Net als in Lourdes en Fatima wordt het religieuze spektakel hier in een massaregie opgevoerd. 

Cultuurloze woestenij
Na Braga gaat het in steeds steilere lussen omhoog naar de bergen. In de Rio Cávado zijn grote stuwmeren aangebracht, waarin zelfs zalm wordt gekweekt. We buigen af naar Ponte de Lima, dat met zijn zandstranden wel een kustplaats lijkt. Een fraai gelegen buiten biedt onderdak. Zijn witte torens en witte vleugels rijzen hoog boven de omgeving uit. De stallen langs de oprijlaan zijn verbouwd tot appartementen. Hoppen vliegen van boom tot boom en zetten bij de landing hun oranje kuif omhoog. In de klimop ritselen vleermuizen. Onze gastheer, de graaf van Calheiro, gunt ons een blik in statige vertrekken, wapenkamers, bibliotheken en op de schilderijen van zijn voorvaderen. Hier komt de Portugese geschiedenis tot leven: de tijd van de ontdekkingsreizen, het koninklijk hof, de koloniën in Brazilië en Afrika. Bij het afscheid krijgen wij de raad onze Portugese reis tot het land tussen de Minho en de Douro te beperken. Ten zuiden van de Douro begint, volgens de graaf, een cultuurloze woestenij waar een beschaafd mens niets te zoeken heeft.

Daarom Djoser

  • Veel individuele vrijheid
  • Gemak van een groepsreis
  • Kleine groepen
  • Oog voor cultuur & natuur
  • Scherpe prijzen
  • Nederlandstalige reisbegeleiding


Bij Djoser zit je goed!

Lees meer

Terug naar boven