Midden- en Zuid-Amerika

Het adembenemende Andesgebergte

"Haal me hier vandaan!" Ik hoorde mezelf roepen in mijn moedertaal. "Andrea, breng me naar beneden! Haal me hier vandaan!" Maar Andrea sprak haar eigen moedertaal, het Quechua, en de taal van haar land, haar continent, het Spaans.

Ook ik spreek Spaans, maar op het moment van mijn hulpkreet was ik al verwijderd geraakt van het hersengebied waarin de talen keurig gerangschikt liggen. Onbewust klampte ik me vast aan mijn taal van zowel de extase als de ontreddering, het Nederlands: "Breng me terug naar Aguas Calientes, ik kan niet meer!"
Andrea moet gezien en begrepen hebben in welke nood ik verkeerde, want toen ik weer tot besef kwam lag ik op een bank vlakbij de ruïne van de Tempel van de Zon in Machu Picchu met een zuurstofkapje op mijn mond.
Zij was mijn gids, Andrea. In Cusco had ze zich over mij ontfermd met een voor mij ongekende gidsenijver; gewoonlijk reis ik met vrienden, of alleen. In hoog tempo had zij mij onmiddellijk na mijn aankomst uit Lima door de nauwe Incastraatjes naar de Plaza de Armas en de kathedraal geloodst, vandaar naar kleinere pleinen en oudere heiligdommen, om me vervolgens in een taxi te duwen die naar Pisac en Urubamba reed met een snelheid die niet afgestemd was op de almaar hogere hoogte, op de almaar ijlere lucht en de almaar minder toereikende hoeveelheid rode bloedlichaampjes die ik van huis uit in mijn hart en aderen draag.
Andrea was in het Andesgebergte geboren; dat vertelde ze me terwijl we met grote achteloosheid tegen de hellingen omhoog slingerden.
Ze kende hier alle paden waarover de Incahardlopers, de koeriers van vijf eeuwen geleden, hun ijlboodschappen van de ene plek naar de andere brachten; de boodschappen waren geen brieven - de Inca's kenden geen schrift - maar verschillende soorten knopen in verschillende soorten koorden met een verschillende kleur.
We hadden bijna de 4000 meter bereikt toen ze vertelde dat de Inca's ook het wiel niet kenden, dat ze de bouwmaterialen voor hun ingenieuze steden en tempels op eigen kracht hadden versleept. Mijn bewondering groeide, mijn uithoudingsvermogen nam af. Maar Andrea praatte en praatte, en zo nu en dan duwde ze met haar kleine indianen-handen mijn gezicht in de richting van de afgrond opdat de terrasbouw van haar voorvaderen en het waterleidingsysteem, dat bijna verborgen was om te voorkomen dat de vijand het water zou aftappen of vergiftigen, mij niet zouden ontgaan.
Ze was, vertelde ze, haar lemen geboortehut, waarin ze met haar broers en zusjes, haar ouders, biggetjes en wilde cavia's in twee vertrekken leefde, ontgroeid.
Ze was naar Cusco afgedaald, had cursussen gevolgd en was gids geworden, een gids met een mobiele telefoon en een man die ze had verboden haar als slaaf te gebruiken; hij mocht haar niet uitschelden, niet slaan. Toen ze zag dat het me duizelde, schonk ze cocathee uit haar thermoskan en dwong me te drinken. Laten we kalm aan doen, zei ik keer op keer. Maar ze bleef lopen en vooral praten alsof haar diezelfde dag nog het zwijgen zou worden opgelegd.

De volgende ochtend stond ze me om vijf uur op te wachten bij de ingang van het hotel. Mijn nacht was onrustig geweest. Beelden van aan de zon geofferde lama's en Incapriesteressen hadden zich afgewisseld of vermengd met beelden van de offerandes uit het geloof waarin ik ben grootgebracht. Over eindeloze zigzagpaden zag ik mannen draven met een boodschap die mij niet bereikte. Een gevederde mummie in wie ik mijn moeder herkende boog zich voorover en pakte mijn hand. Met kloppend hart was ik wakker geworden. Of misschien had ik geen oog dichtgedaan en waren het hoogtewanen.
We gingen per trein naar Machu Picchu, Andrea en ik. Ondanks de kou en de ochtendschemering praatte ze honderduit. Ik verzweeg haar mijn dromen maar vertelde wel dat mijn hart tekeer ging. Ze schroefde onmiddellijk haar thermoskannetje open en gaf mij de deken die ze om haar schouders geslagen had. Ze gaf me ook het toegangsbewijs voor haar leven. Ik had daar niet om gevraagd. Ik had meer dan genoeg aan het mijne dat, hoewel de trein inmiddels was afgedaald naar het dal van de Urubamba, steeds meer tegen het Andesgebergte in opstand kwam.
Andrea was zowel godvruchtig als bijgelovig. Ze aanbad met dezelfde intensiteit God en de zon; natuurrampen en het menselijk leed zag ze als een straf van beide. Ze geloofde in magie, magnetische velden en het Boze Oog, maar ze kende ook de wet van oorzaak en gevolg. Ze gaf aan wat zich in het firmament afspeelde een even grote betekenis als aan wat zich afspeelde op de grond. Maar kwalen bestreed ze enkel met kruiden, brokken mineraal of een amulet.
Per bus legden we het laatste deel van het traject af naar ons einddoel, Machu Picchu. Hoe hoger we klommen, hoe minder ze zich om mij bekommerde. Uitbundig groette ze andere gidsen, zwaaide naar toeristen die ze eerder die week in Cusco had begeleid en die kwiek naar haar terugzwaaiden, maakte een praatje met de chauffeur en met de verkoper van de entreebiljetten voor misschien wel de hoogste, de meest magische ruïnes ter wereld, het historische monument met de grootste aantrekkingskracht.
Ik keek om me heen: ik was de enige die niet alleen ademloos kéék maar ook ademloos wás. Ik probeerde Andrea op de voet te volgen door de toegangspoort die niet veel hoger was dan een volgroeide lama, over de stenen trappen die naar de voorraadschuren, de terrassen met de vroegere aardappelvelden en het paleis van de Inca-keizer en zijn vrouwen leidden, over een glibberig pad naar de astronomische observatiepost. Er hing nevel om de heiligste bergpieken; er hing ook nevel in mijn hoofd. Andrea daarentegen bloeide steeds meer op. Ze vertelde over de mythen en symbolen, en die moeten ondanks de nevel een grote indruk op me hebben gemaakt, want ik herinner me nog tot in de details haar verhalen, de structuur van de fundamenten van de gebouwen, de vormen van de geslepen stenen en het hoe, het waarom.
Als ik mijn ogen dichtdoe, zie ik weer de schoonheid, voel ik weer de magie. Ik volgde haar tot ik niet meer kon.
Op een hoogte waarop de Inca's hun rotsblokken versjouwden, hun grond bewerkten, hun vrouwen beminden en hun oorlogen voerden, lag ik buiten adem op de grond.
Waar zíj stand hielden, viel ik om. "Andrea! Breng me naar beneden!", hoorde ik mezelf roepen en Andrea heeft het begrepen. Ze heeft me later op de dag verteld dat ze met haar mobieltje een genezer heeft proberen te bellen, maar, legde ze uit, door de magnetische velden viel haar oproep buiten alle bereik. Toen heeft ze een passerende gids losgepraat van zijn groep om hem met spoed een zuurstoffles te laten halen. Kortom, Andrea heeft me met haar ijlende tempo in gevaar gebracht maar ook gered.
De rest van mijn verblijf in Cusco zijn we bevriend gebleven. Ik heb haar, in de uren voor mijn vertrek, ook een en ander over míjn leven verteld.

Fleur Bourgonje

Fleur Bourgonje (1946) is schrijver/dichter.
Ze heeft lang in Zuid-Amerika gewoond; verschillende van haar romans zijn er gesitueerd. Haar laatste romans zijn Araya (2001) dat op het Venezolaanse zoutschiereiland Araya speelt, en Labyrint (2002), een liefdesgeschiedenis die zich afspeelt in de Marokkaanse stad Fez. In 2003 verscheen de dichtbundel Vrije Val, Uitgeverij Atlas, Amsterdam
.

Daarom Djoser

  • Veel individuele vrijheid
  • Gemak van een groepsreis
  • Kleine groepen
  • Oog voor cultuur & natuur
  • Scherpe prijzen
  • Nederlandstalige reisbegeleiding


Bij Djoser zit je goed!

Lees meer

Terug naar boven