Suriname met Djoser (reisverslag)
28 juli (donderdag)
Met de trein naar Schiphol. Ging prima. Ik vind het zo spannend, ik moet mezelf zo af en toe even knijpen. Het inchecken en vertrekken was op z’n Surinaams. Mensen met veel te veel bagage en ze gingen in het vliegtuig maar niet zitten. Er waren enorm veel kinderen die op bezoek gingen bij opa en oma. We hadden het gevoel met hun naar huis te gaan.
Het duurde 8 uur en drie kwartier voor we op Zanderij waren en daarna nog een uur met de bus naar Paramaribo, over de highway. Het had enorm hard geregend en we moesten bijna door rivieren, zoveel water op de weg. We gaan om 21.45 uur naar bed d.w.z. Nederlandse tijd 2.45 uur.
We gaan Paramaribo verkennen. Eerst hotel Torarica, dan bij het fort Zeelandia langs. Het staat aan een plein met heel mooi opgeknapte huizen, dan langs de Surinamerivier naar de Waterkant.
We praten met de Wooddocter, een man die zijn kostje verdient met houtsnijwerk.
We drinken iets op een terrasje langs de waterkant en als we nog wat verder lopen komen we op de grote overdekte markt. De kleuren en geuren zijn geweldig. Ik voel me hier zo in Suriname waar je ondanks dat alles anders is toch gewoon Nederlands kunt praten.
We lopen verder naar de Domineestraat om een boek te kopen en ik vind voor een kennis twee vingerhoedjes. Daarna zoeken we de Henk Arronstraat(voorheen Gravenstraat) op. Onderweg eten we een schaafijsje, echt iets voor Paramaribo. We zien de Petrus en Pauluskathedraal en kunnen daarna het mooi opgeknapte huis vinden waar tante Marietje heeft gewoond. Daarnaast de school waar ze heeft gewerkt. Sommige huizen zijn vreselijk verwaarloosd maar als er geld is worden ze opgeknapt. Ze moeten wel haast maken, want veel is al bijna niet meer te renoveren.
We eten lekker in het hotel en proberen om 5 kilo nuttige spullen mee te nemen voor tien dagen binnenland. Dat is nog niet gemakkelijk.
We vertrekken om 9.00 uur met de bus naar de boot. Met deze tentboot varen we naar Domburg waar we even rondkijken en op een marktje iets kunnen kopen.
Het ziet er allemaal oud en vervallen uit maar er bloeien wel hele mooie bloemen.
We gaan verder over de rivier en komen in Paranam, een bosnegerdorpje. Deze mensen werken bij de Suralco. Het heeft pas geregend en de weg zit vol kuilen en bulten die nu vol rood water staan(bauxiet). De medicijnman is naar de stad maar de mensen en met name de kinderen zien er goed uit maar ze maken er wel een behoorlijke zooi van.
We stappen weer in en gaan naar Groot Chattillon, een oude leprakolonie. Alles is sinds 1972 door de mensen verlaten en dus nogal heftig teruggenomen door de natuur, met prachtige bloemen en een enorme begroeiing.
Als we weer op de boot zijn krijgen we een heerlijke maaltijd met lokale gerechten. We worden goed verzorgd.
We varen naar Redi Doti(rode aarde) en moeten onze bagage op de rug meenemen naar het dorpje. Gelukkig hebben we niet zoveel mee.
We moeten onze hangmatten en klamboe ophangen. Doe het maar goed, anders zak je ’s nachts naar beneden. Wat een belevenis. Je mag de sanitaire voorzieningen gerust primitief noemen. Het wassen gebeurt met een emmer water en een kalebas om te spoelen. Je kan ook de wandeling terug naar de rivier maken en daar wassen en zwemmen. Wel zorgen dat je op tijd teruggaat want het wordt hier supersnel donker.
Onze kokkinnen hebben weer heel erg hun best gedaan en dat op een houtvuur in de keuken(nou ja, keuken?)
De stoelen en tafels zijn een bij elkaar geraapt zooitje onder een afdak bij de kapitein van het dorp. Kenneth heeft zijn gitaar mee en er wordt gezongen. Waarom men dat leuk vindt.
We hebben een nachtje in de hangmat overleefd. Elk zuchtje, elk windje of snurkje hoor je. De w.c. is erg ver weg in het pikkedonker. Er zijn hanen, honden etc. en ze maken allemaal ’s nachts geluid. Toch kun je er lekker in slapen.
’s Morgens gaan we zwemmen in Blaka Wattra, een rivier met zwartbuin water. Dit komt door een steen die ijzer afstoot. Het is een Surinaams resort, dus alles vervallen en slordig maar wel erg gezellig om te zwemmen. We zien hier hele grote vlinders, zo blauw en zo groot. Rolf noemt het weerschijnvlinders. Op deze trip is het eten zelfs meegenomen. Het is erg lekker en we zullen op deze manier niet verhongeren.
We worden met een pick-up truck weggebracht met een bankstel bovenop. Niet voor te stellen met al die kuilen in de weg. We wippen met bank en al op en neer.
’s Middags maken we een dorpswandeling in Redi Doti. De indianenhuisjes liggen in het dorp verspreid. De school hier, tjonge dat is toch wel erg armoedig.
We wandelen door het bos naar Jodensavanne. Onderweg vertelt Kenneth hoe de indianen diverse bladeren, takken etc. gebruiken voor manden en bv. Medicijnen.
We zien een kilometerslange rij mieren die allemaal een stukje blad meenemen.
We zijn net terug bij ons kampement als het begint te hozen. Henk en Jan pakken hun shampoo en douchen in de regen. Goed bedacht. Het kampvuur gaat niet door, zeiknat dat hout.
1 augustus (maandag)
We hebben onze tweede nacht in de hangmat doorgebracht. Als je diagonaal gaat liggen kun je toch wel erg lekker slapen. Iemand heeft zijn knopen niet goed gelegd en komt midden in de nacht op de grond.
Wie wil kan mee op een boswandeling van ongeveer 2 uur. Om 10 uur gaan we vertrekken uit Redi Doti. We moeten allemaal uit de bus om met een pont de rivier over te steken. De brug is namelijk kapot. De weg is vol kuilen met enorme plassen van de regen. We zijn doorgereden over de lange weg van Paramaribo naar het brokopondo-stuwmeer(van Blommensteynmeer)
Als het droog is zit je tot je haren vol met het rode bauxietstof, maar nu het zo hard heeft geregend zitten we maar tot onze nek eronder. We mogen van Suralco niet binnen in de dam kijken dus we rijden door naar Afobaka. Dat is de oversteekplaats voor de goudzoekers en ook voor ons naar Tukunari-eiland.
We maken een rijtje om alle bagage, maar ook alle keukengerei in de boten te laden. We gaan naar een wc!!! De deur is een golfplaat. Deze plek is triest en vies om te zien. Er hangen mannen rond om te wachten op werk met het overladen en verhandelen van diverse spullen die te maken hebben met de goudzoekers. Het zal hun een zorg zijn hoe alles eruit ziet.
Hierna gaan we allemaal in de korjalen om de oversteek te maken. Het Brokopondo-meer is een onder water gezet stuk oerwoud. Mensen en dieren moesten verdwijnen voor een gigantisch stuwmeer om elektriciteit op te wekken voor de Suralco. Er zijn langs de rand nieuwe dorpen ontstaan voor de dorpsbewoners maar de bomen zijn doodgegaan en omdat het heel goed tropisch hardhout is blijven ze in het hele meer boven water staan. Het ziet er luguber uit, het is net een bomenkerkhof.
De oversteek duurt ongeveer 2 uur en als we bij het eiland komen, blijkt het klein en knus te zijn met houten hutjes voor 4 personen en een grote gemeenschapsruimte. Hier zullen we drie nachten blijven.
’s Avonds krijgen we weer een tropische hoosbui met natte bedden en al. We draaien de matras om en krijgen een schoon laken.
Als we in onze (harde) bedden liggen zegt Henny: Wat ligt dit hard als je een hangmat gewend bent. Ja, ja, na twee nachten.
We slapen als rozen een hele nacht zonder alle mogelijke hanen, honden en snurkers.
We hebben een douche en wc. Van water uit het stuwmeer of regenwater. Een hele verbetering.
Ik heb een ontstoken teen, heel vervelend.
We ontbijten om 8 uur en gaan voor de middag met boten naar Ledi Doti. Dit dorp is hier gebouwd door Saramaccaners die hun oorspronkelijke dorp kwijt raakten door het stuwmeer. Ze leven volgens oude, eigenlijk Afrikaanse tradities met Surinaamse aanvulling. Ze geloven in allerlei geesten en ons bezoek wordt met een offer ingewijd door de kapitein en de basja met een door ons geofferde fles rum.
We zien hoe deze mensen leven, een mix van traditie en modern.
Ze hebben aggregaten voor stroom, dus een televisie en telefoon. Er is een school, een ambtenaar van het bevolkingsbureau en een polikliniek met verplegers. In noodgevallen komt er een vliegtuig.
Ik koop een pangi, een omslagrok. Mooi gemaakt door een van de vrouwen.
Het ziet er sociaal uit en de levensblijheid straalt er vanaf.
Ze hebben als we weer in de boot stappen aap op de barbecue liggen. Getver.
‘s Middags komen een paar kleine meisjes uit het dorp helpen om aasvisjes te vangen. Er wordt een klamboe door twee personen rechtop in het water gehouden. Kenneth gooit wat rijst in het water en als de visjes daar op af komen, moeten de mensen aan de kant ze met veel lawaai het net in jagen. Met veel gelach en gejoel lukt dat en als er genoeg visjes zijn gaan de liefhebbers met de boot het meer op om piranha’s te vangen. Volgens Kenneth vangen de mensen van Djoser nooit iets.
Maar met Henny erbij wordt het compleet feest op het water en ze vangen behoorlijk wat vis.
Onderweg op het water begint het te dreigen in de lucht en als ze weer aanleggen begint het opnieuw te hozen.We begrijpen inmiddels wat tropische regenbuien zijn.
Omdat het zo vreselijk regent zitten we in de gemeenschapsruimte spelletjes te doen, met zo af en toe stroom.
Vandaag gaan we naar een goudzoekersdorp. We varen drie kwartier en komen in de meest desolate omgeving die je je maar kunt voorstellen.
De mannen die hier wonen zoeken goud voor de beheerder van het stuk grond en krijgen daarvan een deel. Ze wonen hier in de modder en maken ook nog een enorme hoop rotzooi. Ze vernielen alles wat hier mooi is. Er zijn “meisjes van plezier”die ’s avonds met drank op ook nog flink geslagen worden, zo te zien. Als je toch zo rijk denkt te worden. Daarna maken we een boswandeling steil naar boven en onderweg legt Kenneth van alles uit over planten en dieren.
‘s Middags kunnen we peddelen met een paar bootjes van de mensen uit het dorp.
Vanavond kunnen we mee met een paar boten uit het dorp om op het meer kaaimannen te spotten. Omdat het dreigt te gaan onweren ga ik niet mee. Henny wel en ze komen kletsnat terug. We doen onze was zoals alle mensen hier, in het meer en drogen op de grond. Dat gaat prima.
4 augustus (donderdag)
We gaan weer weg van Tukunari-eiland, met de boot twee uren varen naar Afobaka. Van daaruit met de bus naar Brownsberg. Het is een lange stoffige tocht. Er zitten weer de bewuste kuilen in de weg dus we komen weer onder het rode stof aan.
Brownsberg is een natuurreservaat en we maken ’s middags een wandeling om kennis te maken met het tropisch regenwoud. Geweldig. Alles is met elkaar vergroeid en leeft van en met elkaar. Spinnen, torren, salamanders, vogels, en ook apen zien we, maar vooral veel vlinders., prachtige grote vlinders. Als we bij een uitkijkpunt zijn geweest, zien Willemien en ik op de terugweg een heleboel aapjes, leuk hoor.
’s Nachts slapen we in een soort van dependance van het hoofdgebouw, nog dieper het bos in. Het is er vies, maar als we schone lakens krijgen wordt het weer wat acceptabeler .Midden in de nacht horen we de brulapen brullen. Het klinkt op de aap bij je op het dak zit. Indrukwekkend.
De familie W. heeft ’s nachts in het hoofdgebouw voor paniek gezorgd en zit daar bij het ontbijt over na te ruziën, heel irritant.
Ondertussen blijkt dat mijn teen, die al drie dagen ontstoken leek, bezet is door twee zandvlooien onder mijn nagel. Die blijven daar eitjes leggen en het moet er dus uit. Nu blijkt dat Willemien ze ook heeft en dat meerdere mensen van de groep ze op hun voeten hebben. Kenneth haalt een tak uit de bos met daaraan allemaal doorns. Met iedere keer een nieuwe doorn haalt hij bij iedereen de zandvlooien uit de voeten en tot slot een die hij zelf heeft opgelopen. We hebben dit gekregen in het zand bij Redi Doti. Fijn dat ze er uit zijn.
Hierna gaan we wandelen naar een kreek. Het is maar 3,8 km. Maar het is een paadje over boomwortels, takken bladeren, boomstammen etc. Naar beneden is het nog wel te doen en beneden is het erg mooi. De kreek is niet zo erg groot, maar in deze omgeving heb ik toch wel een bijzonder gevoel. Je kunt er zelfs zwemmen. Maar dan moeten we weer naar boven. Het is steil, smal en warm en voor sommige mensen is dit wel erg zwaar. Wij kunnen het met veel zweten en drinken goed aan. ’s Avonds is iedereen vroeg naar bed, van vermoeidheid.
’s Morgens maken de fitte mensen een wandeling naar de watervallen. Na gisteren zijn er heel wat afgevallen. Deze wandeling is nog steiler naar beneden maar het uitzicht is dan ook erg mooi. De terugweg doen we kalm aan, maar het is goed te doen. Als we gedoucht hebben gaan we met de bus de Brownsberg af met de inmiddels berucht rode bauxietweg met kuilen. Zo af en toe ga je tot het plafond. We gaan om de berg en rijden twee uur tot Atjoni.
Hier stopt de weg en alles, werkelijk alles wordt hier in korjalen gestouwd op weg naar de dorpen langs de rivier. Wat een bedrijvigheid. Stoelen, kruiwagens, diepvrieskisten, frisdrank, bier, schoolbenodigdheden, golfplaten. Je kunt het niet zo gek bedenken of het kan mee. Kenneth vertelt dat sommige boten moeten overnachten omdat ze zover moeten naar de dorpen diep in het binnenland.
We laden al onze bagage en alle keukengerei en eten op de korjalen en in de stromende regen gaan we naar het eiland Jaw-Jaw. Het is een vakantie-oord midden in een sula(stroomversnelling).
Het ziet er erg goed uit. We komen in huisjes met fatsoenlijke bedden voor 4 personen. We kunnen hier beter douchen en dat is wel nodig na de rode bauxietweg naar Atjoni.
We slapen prima en laten (hoe decadent) onze was doen door de kokkinnen Cornelly en Nolly. Het is voor hun een kans iets bij te verdienen.
We gaan naar een bosnegerdorp aan de overkant van de rivier. Als het bijna donker wordt gaat bij elk huis een peertje licht aan. Een generator zorgt dat er enkele uren per dag stroom is.
Wegaan naar watervallen 3 uur varen verderop. Onderweg stoppen we even voor drinken en het is niet een terrasje pakken, nee gewoon warm water, nescafe en een meegenomen broodje. Langs de Suriname-rivier staan bomen groter dan alle andere. De mensen hier denken dat ze heilig zijn en bouwen er graag hun dorpen bij in de buurt. Ze noemen het de Kankantrie boom. Langs de hele weg (rivier0 zien we veel vogels en heel veel schitterende vlinders.
Tegenover de watervallen stoppen we bij een medische post. We kleden ons om en realiseren ons dat wij met onze witte lichamen bezienswaardigheden zijn voor deze donkere mensen. Tientallen mensen komen kijken en lachen om ons. En terecht.
We steken met een korjaal en liggen heerlijk in de waterval te poedelen. Waar we zwemmen in de waterval is een moeder met haar dochtertje kleren aan het wassen. Het meisje is anderhalf tot twee jaar en helpt heel voorzichtig. Als we weer in de boot willen stappen staat ze ineens tussen allemaal grote blanke mensen en begint te huilen. Haar moeder neemt haar snel op de arm.
Daarna eten we het meegebrachte eten op(heerlijk) en varen dan weer terug. We gaan nu van de stroom af en in de sula gaan we schuil onder de spetters.
Vandaag begint het allemaal wat rustiger. Om tien uur kunnen mensen een rituele wassing ondergaan met een medicijnman. Daarna gaan we naar twee dorpjes, de een is christelijk geworden en de andere heeft het oude bijgeloof nog. De eerste heeft geen offertafels en dus een kerk maar verder is het ongeveer hetzelfde.
Om een uur of vijf gaan we naar hetzelfde dorp voor een wandeling langs de kostgrondjes. De man kapt een stukje grond en zijn vrouw verbouwt daarop rijst, maïs, cassave, pinda’s enz. Alles wordt in manden op hun hoofd naar het dorp gedragen. Ook het brandhout wordt zo vervoerd.
Langs het pad staan bomen en Kenneth wijst met een gids uit het dorp(Doroe heet de man) allerlei planten aan in het bos. Er is een vrucht, de maripa. Ze maken hier olie van maar eten de vrucht ook. Er is een waterliaan, Kenneth kapt er een stuk vanaf en dan komt er water uit. Ze kunnen zo zonder water overleven in het bos. Als we teruggaan komt er een regenbui(onweersbui) opzetten, nou dat zal wat worden. We stappen aan land en het begint te waaien, niet normaal. We rennen naar binnen en er komt een bui! Niet te geloven wat een wind en regen.
De dansavond van de vrouwen uit het dorp gaat niet door, ze durven met dit weer de rivier niet over. Dus doen we spelletjes.
We vertrekken weer van Isadou-eiland en zullen met het vliegtuig teruggaan naar Paramaribo. Omdat we niet weten wanneer we weer zullen eten maken we een broddje voor onderweg. Om 12 uur gaan we pas weg met de korjaal en dus zitten we heerlijk onder een boom bij de stroomversnelling.
Henny ziet een grote leguaan en laat iedereen ervan meegenieten.
We gaan weer door de stroomversnelling maar dit keer is het een behoorlijk stuk heftiger. We nemen onze bagage mee naar de landingsstrip. Als het vliegtuigje nadert, komen van alle kanten de mensen toelopen. Het ziet er letterlijk zwart van. We lijken erg veel op de Flying Docters. Ik vind dit een behoorlijke onderneming want je voelt toch alles meer dan bij een groot vliegtuig. Maar het is wel een adembenemend gezicht. Dat tropisch regenwoud met daarin de kronkelende Surinamerivier.
We zien het eiland Isadou, Atjoni, het Brokopondomeer en de bauxietweg. We komen in een regenbui, zien regenbogen maar ook plukken wolkjes boven het regenwoud. Het duurt ongeveer een uur en dan landen we bij vliegveld Zorg en Hoop in Paramaribo.
We gaan naar Eco Resort maar moeten verhuizen naar Queens. Een nieuw hotel, mooi maar een koele aankleding. We komen zo uit de rimboe in deze luxe. Wat een stelletje woudlopers.
Een warme douche, goede bedden, schone wc’s die doorspoelen, Heerlijk. En weer een hoosbui. ‘s avonds eten we bij ’t Vat een eettentje iets verderop. Ik eet Pom, een typisch Surinaams gerecht. We gaan daarna naar de Palmentuin, hier is het feest van de dag van de inheemsen(Indianen) Het is gezellig om hier even door te lopen.
We ontbijten heerlijk. Er moeten fietsen gehuurd worden maar in plaats van 8.30 uur wordt het (zoals gewoonlijk) later. Het is 10 uur als we fietsen. We mogen niet naast elkaar en het verkeer is links. We fietsen naar de tentbootjes en worden overgezet naar het Commewijnedistrict.
Hier werden vroeger suikerplantages gesticht met vele, vele slaven. Toen de slavernij werd afgeschaft raakte alles behoorlijk in verval. De plantages zijn niet terug te vinden alleen de namen zijn overal nog zoals Lust en Rust. Onderweg krijgt Henk een lekke band. Als de band geplakt wordt praten wij met een paar Venezolaanse vissers en hoe bestaat het, Martin valt op een bankje in slaap.
We zien een oud plantagehuis dat nu dienst doet als kindertehuis voor indiaanse kinderen.
Hierna fietsen we naar Marienburg. We nemen de boot met fiets en al en gaan naar Frederiksoord, een volledig gerestaureerde plantage die nu dienst doet als vakantieoord.
We eten hier heerlijk op een veranda en ondertussen, jawel, regent het pijpenstelen. Daarna gaan we terug met de boot maar omdat niet alle fietsen mee kunnen gaat een gedeelte terug op de fiets, de rest gaat met een busje en de fietsen later met de pick-up.
Het wordt veel te donker om nog te fietsen. We eten een klein hapje en pakken alles opnieuw in voor morgen, naar Nieuw-Nickerie.
We zullen om 8.30 uur vertrekken en waarachtig, het lukt aardig. We rijden door de districten Saramakka, Coronie en onderweg stoppen we bij supermarktjes om iets te eten en te drinken.
Het plaatsje Groningen is de moeite waard om even aandacht aan te besteden. De boeren die uit Nederland hier kwamen, stierven aan zoveel ziektes dat na 5 maanden al 50% was overleden. We zien het monument hiervan, de begraafplaats en het onderzoeksgebouw voor ziekten, dat door nabestaanden hier werd geplaatst.
Ook zien we hier de gevangenis, niet te geloven hoe mensen hier gevangen zitten. Ze zitten in grote hokken met een heleboel bij elkaar, een deprimerend gezicht.
We rijden door naar Nieuw-Nickerie helemaal aan de Westkant van Suriname aan de Corantijnerivier.
Het hotel is niet echt bijzonder, hotel “de Vesting”We lopen een eindje rond, drinken wat en eten ’s avonds met zijn allen roti. Dat eet je dus met je handen.We kijken voor de zekerheid maar niet onder de bedden want het is hier geen zuiver schone boel. Maar we slapen goed.
We moeten vroeg op. Om 7.00 uur ontbijten en om 7.30 uur gaat een deel van de groep naar Bigi-pan, een natuurreservaat. Het is een soort van Wetlands. Nu, in de regentijd, staat alles vol water. In de droge tijd staan hele stukken droog. We moeten de bootjes over een sleephelling trekken en dan varen we met gidsen door dit gebied.
We zien kaaimannen, reigers in soorten, gieren, buizerds in soorten, kleine ani’s, grote ani’s, het houdt niet op. Op de terugtocht zien we ook nog een kleine vos.
Als we om ongeveer 11 uur terug zijn wordt iedereen bij elkaar getrommeld en keren we terug naar Paramaribo. Onderweg eten we een broodje bij een supermarktje.
Als we terug zijn in hotel Queens nemmen we een wat schonere en dus betere douche en gaan lekker eten in hotel Torarica. We nemen daarna nog een afzakkertje bij ’t Vat.
We pakken de boel nog maar eens weer in voor de tocht naar Galibi.
Ik probeer nogmaals Annerose te bellen. Het lukt niet.
Onze laatste trip begint ’s morgens om 8.30 uur. En waarachtig, het lukt alweer aardig op tijd. We rijden naar Albina. Om 11 uur stoppen we bij een restaurantje. De eigenaar en oprichter heeft 20 jaar in Nederland gewoond en is sind anderhalf jaar terug. Hij heeft bij Stolkertsijver (hr. Stolkert had een plantage waar ijverig werd gewerkt) een restaurantje gebouwd met duidelijk Nederlandse efficiëntie.
Als we doorrijden komen we in het gebied waar het junglecommando van Ronnie Brunswijk vocht tegen het nat. Leger van Bouterse. Bruggen zijn vernield en de weg is vele kilometers lang in het midden stukgemaakt. Dit is nu wel hersteld, maar het ziet er vreemd uit.
Albina, waar de weg ophoudt, is door Bouterse volledig vernield omdat hij vond dat ze pro-Brunswijk waren. Het is weer opgebouwd, maar is volgens iedereen niet meer zo mooi als het geweest is.
In een park worden we afgezet en er arriveren twee boten met indianen(Caraïben) We helpen met het inladen van de boten. Inmiddels zijn we al aardig bedreven. We moeten nu zwemvesten om, omdat we dichterbij de zee komen en er meer golfslag is. Anderhalf uur varen we de Marowijne-rivier af naar de indianendorpen(Christiaankondre en Langemankondre). Het is duidelijk de bedoeling van de bootsman om Rita drijfnat aan te laten komen. Elke keer komen de golven bij haar.
Als we in de buurt van de dorpen komen zakken onze monden open van verbazing. Het is een zandstrand met palmen. Er zijn heerlijke stoelen en ja ja luxe strandstoelen. Een paradijsje dus.
We logeren in een soort groepsaccomodatie, met 4 of 3 persoonskamers. Er zijn wel 4 wc’s die door kunnen spoelen, 4 echte douches en ook 4 wastafels. Van 19.00 uur tot 24.00 uur is er stroom. Wat een luxe. We zitten honderd meter van de rivier, niet zo ver van de zee. Hier is eb en vloed merkbaar
We waren ervan uit gegaan dat het legseizoen van de zeeschildpadden voorbij was, maar Jeffrey, onze gids bij deze indianen, vertelt ons dat we misschien wel kunnen zien dat de kleine schildpadjes uit hun nest komen en naar de zee waggelen. Dus ’s avonds lange broeken, sokken over de broek en iets met lange mouwen om de muggen tegen te houden. Maar omdat we in en uit de boten moeten, kiezen we toch voor de sandalen. Het wordt een wilde tocht met heel hoge golven. We gaan naar de kust van Frans Guyana met moeten onze broekspijpen hoog optrekken omdat de boten niet helemaal bij de kust kunnen komen. Volgens mij is Margreet nat tot aan haar oksels. Maar alle moeite wordt beloond. We zien de laatste schildpadjes uit hun nest komen en naar de zee waggelen. Het maakt bijzonder veel indruk op mij. Ik had dit niet verwacht. Iets wat je zo vaak op de tv. Ziet en dan nu in het echt.
Dan merken we dat er nog een paar kleintjes niet op tijd boven hebben kunnen komen. Ze zijn dus dood. Tja, dat is de natuur. We lopen ongeveer een uur de kleintjes te bekijken maar omdat we door de kleding heen door muggen worden gestoken, gaan we terug met de boot. Nat pak bij heel veel mensen want het is een nogal ruige instap.
’s Nachts slapen we onder een klamboe, gelukkig. Maar zonder airco, dus bloedheet. Het zweet loopt in straaltjes langs mijn gezicht en rug.
De indianen verzorgen ons ontbijt. Geweldig. Dan kijken we in hun dorp rond. Ze hebben hier zonnecollectoren, dus de kapitein heeft een radiozender. Ze zijn iets verder dan de bosnegers, maar veel gereserveerder in hun contacten naar buitenstaanders.
’s Middags kunnen we heerlijk zwemmen en luieren. Wat een vakantie in een vakantie is dit. We lopen met z’n viertjes een heel eind langs het strand. De mensen hebben zelf ook een vrije dag en hele gezinnen zitten lekker onder de palmbomen. We zien tientallen aasgieren rondcirkelen op zoek naar de restjes van eten en visafval.
We praten met drie onderwijzeressen van een totaal gerenoveerde school. Prachtig ziet dat eruit. We krijgen hun adres om wat schoolspulletjes te sturen.
Na het eten krijgen we een voorstelling van de indianen. De mannen zingen en maken muziek met hun trommels. De vrouwen zien er wel heel speciaal uit in hun kleding in felle kleuren en alles is versierd met kwastjes. De muziek en zang zijn monotoon en zorgen bijna dat je in een soort trance kunt raken. Heel bijzonder.
Daarna hebben Jeffrey en Kenneth een kampvuur op het strand. Ik ben niet zo’n liefhebber van dit soort groepstoestanden met samen zingen enzovoort, maar het is hier aan het water lekker zitten en er zijn geen muggen door het windje
We krijgen ’s morgens te horen dat de bakker geen broodjes heeft gebakken voor ons. Jeffrey is er erg verlegen mee en vraagt of we cassavebrood willen. Dat eten ze zelf. Tuurlijk willen we dat. Het is droog en je moet het voor je het eet, nat maken. Ik was er al nieuwsgierig naar, dus ik vind het wel leuk.
We vertrekken weer en de terugweg is op het water aanmerkelijk rustiger. In het parkje in Albina staat het busje al op ons te wachten .We rijden terug naar Paramaribo en onderweg rijden we een stukje om naar Moengo, de geboorteplaats van Ronnie Brunswijk. Hij is een Aukaner-bosneger(leiders en dominante mensen). Hij heeft 5 vrouwen en 30 kinderen. Hij heeft de oorlog tegen Bouterse gevoerd, is veroordeeld voor drugshandel en kan daarom (net als Bouterse) zijn eigen land niet meer uit. Hij heeft een groot huis, eigen voetbalstadion, tientallen auto’s en zit nu in het parlement. Als dit soort criminelen het land kunnen regeren, hoe moet het dan goed gaan. halen onze bagage op bij Queens. Het blijkt dat we terug gaan naar Eco-Resort. Lekker, ik vond het veel mooier dan Queens.
Een heerlijke warme douche en ’s avonds gaan we met z’n allen eten bij een chinees, gereserveerd door Mena-Eng. Jane, de hulp in Paramaribo van Kenneth, is ook mee. Een aardige, gezellige vrouw. Kennethe krijgt een t-shirt van Djoser van Tjeerd en een flinke fooi van de hele groep. Verdiend.
Hierna gaan we naar de Saramaccastraat om een hangmat te kopen, want dat was toch wel een lekker rustplaatsje. We doen het kalm aan, drinken een kopeje koffie en zorgen dat we op tijd onze bagage inleveren en uitchecken. Ja, ja het zit erop. Het is alles geworden wat ik er van gehoopt had en meer dan ik had kunnen verwachten.
Suriname, bedankt!
Vanmorgen gaan we nog naar fort Zeelandia. Dit is nu een museum, maar hier zijn de, in Nederland beruchte, decembermoorden gepleegd. Het is nu een mooi gerestaureerd museum. De geschiedenis van Suriname van inheemse bevolking naar slavernij. De bezetting door Engeland en heel lang, door Nederland wordt hier getoond. Er komen hier klasjes met kinderen en wij praten nog met een mevrouw in het winkeltje, die nog les heeft gehad van tante Marietje. Ik had het al wel gedacht maar die was dus behoorlijk streng.
15 augustus (dinsdag)
14 augustus (maandag)
13 augustus (zondag)
12 augustus (zaterdag)
12 augustus (woensdag)
11 augustus (donderdag)
10 augustus (woensdag)
9 augustus (dinsdag)
8 augustus (maandag)
7 augustus (zondag)
6 augustus (zaterdag)
5 augustus (vrijdag)
3 augustus (woensdag)
2 augustus (dinsdag)
31 juli (zondag)
30 juli (zaterdag)
29 juli (vrijdag)




Volg ons op:
Tel: 071-5126400