Grenzeloze gastvrijheid op het Cubaanse platteland

Grenzeloze gastvrijheid op het Cubaanse platteland

View over the Topas de CollantesZe omhelst me. Voor ik het weet landen twee plakkerige zoenen op mijn wangen. ‘Wat fijn dat je er bent,’ roept ze op dramatische toon die in menig Hollywood film niet zou misstaan. We hebben elkaar de dag ervoor nog gezien. ‘Kom zitten,’ gebaart ze, alvorens koffie in te schenken voor mijn groep die aarzelend op de drempel staat te wachten. Ze pakt de verroeste thermoskan op en schenkt behendig twintig espresso kopjes vol. ‘Que maravillosa!’ [wat geweldig]

Langzaam komen we op adem na een fietstocht van ruim 40 kilometer. Gelukkig ging het grootste gedeelte naar beneden. We fietsten door groene valleien, langs wit geschilderde houten huizen en door naaldbossen. Het is warm in het Cubaanse binnenland. De zomertijd is net ingegaan en de zon schijnt al dagen onophoudelijk. Op sommige plekken rondom Manicaragua begint het asfalt een beetje te smelten.

Hyperactief als altijd gooit onze potige gastvrouw een theedoek over haar schouder en pakt ze het sudderende draadjesvlees op van het houtvuur. Ons rustmoment is van korte duur. Luttele seconden later is ze de eerste die afdaalt over het steile pad richting de rivier, die in deze droge maanden nog voor een beetje verkoeling zorgt.

Op een rots zit een oude man te vissen. Hij heeft geen hengel, maar gebruikt slechts een doorzichtige draad met daaraan een guave-pit en een stukje brood als aas. Hij slaat ons nauwelijks gade. Zijn blik staat op oneindig. ‘Dat is mijn opa,’ verklaart onze gastvrouw: ‘Hij heeft soms van die dagen. Dagen dat hij niets zegt en niemand lijkt te zien. Ik denk dat het te maken heeft met de dingen, die hij heeft gezien als soldaat voor ons vaderland. Hij praat er nooit over, maar draagt wel altijd een vergeelde foto van Fidel in zijn portemonnee.’

Little restaurant in the Topas de Collantes CubaAan de andere kant van de rivier zitten twee mannen domino te spelen. Naast hen staat een fles rum in het zand. ‘Proost!’ roept de langste van hen op frivole toon. Ik hef mijn kopje koffie als vredesteken. Voor mij is het te vroeg om te drinken. In Cuba beslist niet. Rum is niet voor niets de smeerolie van de Cubaanse maatschappij.

Na het draadjesvlees, komt ook een enorm geroosterd varken op tafel. En natuurlijk een grote schaal rijst met bonen, gekookte yuca, in plakjes gesneden tomaten met zout en olie en gefrituurde bananenchips. We worden verlegen van zo’n overvloed in een land waar de meeste inwoners het moeten doen met vier eieren per maand (de hoeveelheid die ze op mogen halen met hun bonnenboekje). De kokkin ziet onze bedenkelijke blikken: ‘Alles komt uit onze eigen tuin. Eet alsjeblieft. Wij wonen ver weg van de politiek. Het leven is hier simpel. Wij gebruiken wat God ons gegeven heeft. Jullie zijn onze gasten en die moet je verwennen.’

Een verslag van bijzondere ontmoetingen op Cuba tijdens de fietsreis door reisbegeleidster Zinzi Zegers.

Terug naar boven