Tel: 071-5126400

06-82071250

Brochure aanvragen

Met Cornelis de Bruyn naar de piramides

Met Cornelis de Bruyn naar de piramides

“Niet weinig was ik verheugd, dat my een zo schoone gelegentheid voorquam”

Na meer dan dertig jaar plannen maken en bouwen, opende het Grand Egyptian Museum begin november 2025 eindelijk zijn deuren. In een kolossaal, hypermodern gebouw kun je onder andere het immense beeld van farao Ramses II bewonderen, zijn alle vijfduizend items uit het graf van farao Toetanchamon stijlvol uitgestald en heb je een prachtig uitzicht over de nabijgelegen piramides en de sfinx. Dolend door het museum dacht schrijver Alexander Reeuwijk aan schilder en reiziger Cornelis de Bruyn, die zo’n 350 jaar geleden als een van de eerste westerlingen de piramides in kaart bracht.

Door Alexander Reeuwijk 

piramide Het was een beginnende traditie, de ‘Grand Tour’, een reis door Europa waarbij rijke jongeren zich laafden aan de parels van de westerse kunst en zich tegoed deden aan het leven. Ook de jonge schilder Cornelis de Bruyn (1652-1727) ging op reis. Hij vertrok in 1674 vanuit Den Haag naar Italië, waar hij zich in Rome aansloot bij de Bentvueghels, een even beroemde als beruchte groep jonge Nederlandse kunstenaars die net zo gepassioneerd schilderden als dat ze de Romeinse kroegen onveilig maakten. Hij hield het er tweeënhalf jaar uit, waarna hij doorreisde naar onder andere Istanbul, Jeruzalem, Aleppo, Damascus tot in Noord-Afrika.

CheposDe Bruyn ontpopte zich als de ideale reiziger. Hij combineerde een ongebreidelde nieuwsgierigheid en hang naar avontuur met een groot schilder- en tekentalent. Het was een unieke combinatie die maar weinig vroege reizigers bezaten. In de meeste gevallen werden de prenten in het thuisland vervaardigd, op basis van verhalen. Dat leverde meestal wel mooie, maar niet bepaald betrouwbare afbeeldingen op. Dat gold niet voor de illustraties van De Bruyn. Die waren prachtig én uit eerste hand, en werden, tot de introductie van de fotografie, veelal als gouden standaard gebruikt. Zo drukte hij 200 illustraties in kopergravure af in zijn boek Reizen door de vermaardste delen van Klein Asia (…), dat hij in 1698 in eigen beheer uitgaf. Ik blader langs de pagina’s en bekijk de afbeeldingen. Op ongeveer twee derde van het boek reist De Bruyn met een groep van ongeveer dertig mensen, waaronder de Nederlandse consul, vanuit Caïro langs de Nijl naar de piramides. Ze steken de rivier over, passeren enkele dorpen, waarna de piramides voor hen opdoemen.

In zijn beschrijving concentreert De Bruyn zich op de grootste van de drie, de piramide van Cheops. De twee kleinere vindt hij minder interessant, simpelweg omdat hij ze niet kan beklimmen of er in kan afdalen, hetgeen bij de grootste wel kan. Althans, als lokale bewoners de ingang zandvrij maken. Dat doen ze en dan daalt De Bruyn, gebukt en met een toorts in zijn hand, de graftombe in. Terwijl ik deze passage lees, lopen de rillingen me over de rug (ja, ik ben behept met claustrofobie…), want het gaat van kwaad tot erger. De Nederlandse reiziger vervolgt zijn reis door een gang die licht omhoogloopt en zo laag is “dat men zich op den buyk moet nederleggen, en ‘er, met den handen voor uit, doorkruypen, hebbende ondertusschen in d’eene een brandende kaars, daar men zich in deze naare duysternis verlicht.”

In priamideDe tocht valt De Bruyn zwaar. Terwijl hij “gelyk een slang” door de krappe gang kruipt, kan hij door de dichte stof ook nog eens geen hand voor ogen zien, ondanks de meegebrachte kaars. Het is er benauwd en het zweet parelt over de lijven van De Bruyn en zijn medereizigers. En dat terwijl ze buiten hun bovenkleding al hebben uitgetrokken. Vandaar dat De Bruyn een dringend advies heeft voor eenieder die overweegt om het binnenste van de piramide te onderzoeken: “Ik zoude derhalven ymand die wat lyvig is, niet raaden zich aldaar te waagen, want de tengere hebben het ‘er quaad genoeg.” Uiteindelijk bereikt hij enkele grafkamers in het hart van de piramide, die
jammer genoeg leeg zijn… op vele tientallen vleermuizen na, die in paniek zo hard fladderen dat ze de kaars uitwaaien.

Op de terugweg gaat het toch nog bijna mis. De Bruyn tijgert op zijn buik naar de uitgang, als hij, met het einde van de tunnel in zicht, plotseling muurvast zit. Gelukkig kunnen een paar vooruit gekropen mannen te hulp schieten en zij trekken de kunstschilder los uit zijn benarde positie. Verwilderd en vies door het zweet en het stof, en met grote angstogen kruipt De Bruyn uit de piramide. De consul, die veilig boven de grond was gebleven, ziet hem en kan niet meer stoppen met lachen, om hem vervolgens aan te sporen meteen naar boven te klimmen, om geen kou te vatten. De Bruyn klautert omhoog, totdat hij bovenop het plateau staat en een majestueus uitzicht heeft over de overige piramides en over Caïro. En zoals een echte kunstenaar betaamt, pakt hij zijn schetsboek erbij en maakt tekeningen van de omgeving. Ze staan in de vorm van kopergravures in zijn boek. Het valt op dat de omgeving nog leeg was en dat Caïro een relatief kleine stad in de verte was.

Tegenwoordig is de stad opgerukt tot aan de piramides en de sfinx, met aan de rand het machtige Grand Egyptian Museum! Dus mocht je tijdens een van de prachtige Djoser Egyptereizen door de ramen van het museum naar de grafmonumenten kijken, bedenk dan dat een Nederlandse reiziger zo’n drieënhalve eeuw geleden zijn leven waagde om er zo mooi mogelijke afbeeldingen van te maken…

Alexander Reeuwijk is schrijver en reiziger, met een fascinatie voor Azië, natuurlijke historie en historische reisverhalen. In zijn boeken verweeft hij zijn eigen ervaringen met de verhalen van reizigers uit zowel de recente als verre geschiedenis.